the great nadar

 

The great Nadar: The man behind the camera
Adam Begley
New York, Tim Duggan Books, 2017
248 p.; veel zwart-wit ill.; ISBN 978-1-101-90260-8 (eBook ISBN 978-1-101-90261-5)

 

Nadar was een typisch negentiende-eeuwse Parijzenaar: intelligent, nieuws- & leergierig, extravert, bedrijvig, bohémien, soms rijk & vaker in schulden, uitvinder & netwerker pur sang. Hij behoorde tot de artistieke en intellectuele elite van Parijs en kende Balzac, Victor Hugo, Baudelaire, De Nerval, George Sand, Daumier, Gustave Doré e.v.a. persoonlijk. Na drie Franse biografieën (1966, 1971 & 2010) is dit de eerste biografie in het Engels. In twaalf hoofdstukken schildert Begley min of meer chronologisch Nadar's leven en werk waarbij hij kan putten uit de vele ego-documenten die de hoofdpersoon naliet, zoals zijn Quand j'étais photographe (1900, NL vertaling verscheen in 2000 Toen ik fotograaf was, Prive domein van Arbeiderspers). 

Nadar was niet zijn echte naam. Officieel heette hij Gaspard-Félix Tournachon, roepnaam: Félix, geboren op 6 april 1820 in Parijs. Hij was al als kind tegendraads, slim, avontuurlijk en onderzoekend. Zijn schrijverscarrière begon ook vroeg. Later zou hij zeggen dat zijn eerste artikel, een bijdrage aan de schoolkrant, de school noopte de krant te verbieden. Misschien niet zo onbegrijpelijk. De zestienjarige Félix schreef in zijn artikel hoe een jongeman poogde een prostituee op het 'rechte' pad te brengen!

Na het overlijden van zijn vader (1837) zag hij zich genoodzaakt een medische studie te volgen. Als afgestudeerd medicus zou hij genoeg verdienen om zijn moeder en jongere broertje Adrien te onderhouden. Maar de drang om te schrijven was groter dan zijn aandacht voor de studie die hij dan ook opgaf. Hij stortte zich in de hectische wereld van de kranten en van de kleine tijdschriften die toen overal in Parijs werden gestart. Hij had snel overal vrienden. Tijdgenoten zeiden wel dat niemand meer vrienden had dan Nadar! Tournachon veranderde in Tournadard, na enkele maanden werd de naam verkort tot Nadard en rond 1849 verdween ook de eind-d.

In 1838 werd in Parijs de Société des gens de lettres – het ging om gens (mensen), ook vrouwen waren er lid van! – opgericht om de belangen van schrijvers te behartigen en hun auteursrechten te beschermen. Dumas, George Sand en Victor Hugo waren leden. In 1844 werd ook Nadar lid en publiceerde korte verhalen in het Bulletin. Het was de tijd van kranten en tijdschriften met hun feuilletons. In 1838 schreef Nadar al Mon premier feuilleton, een satirisch zelfportret. Met vrienden publiceerde hij een geïllustreerd nieuw wekelijks literair tijdschrift Le livre d'or, keepsake du grande monde. Medewerkers waren Balzac, Dumas, Gautier e.v.a. Het werd geen succes. Er verschenen slechts drie afleveringen (1839).
Maar dat temperde Nadar's schrijversaspiraties niet. Hij bleef schrijven voor diverse kranten, schreef zijn eerste – en tevens laatste – roman La Robe de Déjanire over vier vrienden in het bohemienachtige Parijs dat de auteur zo goed kende (1843-1844).

Als Nadar bij het schrijven was gebleven, zou hij ongetwijfeld zijn vergeten, maar hij verruilde zijn pen voor het tekenpotlood: hij werd een uitstekend karikaturist die de karakteristieken van zijn 'slachtoffers' prachtig wist uit te vergoten. Zijn stijl laat zich makkelijk herkennen: de hoofden zijn buitenproportioneel groot. Maar ook deze activiteiten gingen zeker niet altijd goed. Dankzij zijn vrienden en sponsors, die geld staken in satirische tijdschriften, kon hij het volhouden tot hij (midden negentiende eeuw) een andere passie vond: de fotografie.

Nadar betaalde voor zijn broer Adrien de mogelijkheid om zich te bekwamen in deze nieuwe techniek en om een fotostudio te beginnen op de Boulevard des Capucines. Het plan was dat de broers zouden samenwerken, maar Adrien werkte liever alleen. Félix had al wel de fotografie-smaak te pakken gekregen en liet zich verder instrueren door een vriend. In 1856 werd hij een professionele portretfotograaf met een prachtige studio in de Rue Saint-Lazare (Société de photographie artistique Nadar et Cie) die dankzij Nadar's uitgebreide netwerk van prominenten snel naam maakte.

Intussen was Nadar in 1854 getrouwd met Ernestine Constance Lefèvre en een gedeelte van het geld dat zij meebracht, werd besteed aan het aflossen van Félix' schulden en geïnvesteerd in de eerder genoemde studio van Félix' broer Adrien. Félix bleef zijn broer helpen, maar dat ging niet van harte. Begin 1855 liepen de spanningen zo hoog op dat Adrien Félix niet meer wilde zien in zijn studio. Daarop eiste Félix zijn investeringen terug en zijn naam, want Adrien signeerde zijn werk met Nadar j[eu]ne. Adrien weigerde en zette met enkele vrienden een nieuwe zaak op: Société Tournachon Nadar et Cie. Na drie rechtszaken kreeg Félix (juni 1859) uiteindelijk het exclusieve recht op de naam Nadar. Begley (p.97) ziet hierin een mindere kant van Félix' karakter: "a taste for conflict and confrontation that would surface again and again in his later years". Toen in 1860 Adrien bankroet ging, was het wel Félix die Adrien's openstaande schulden betaalde en zijn inventaris opkocht.

Nadar maakte in prijs onderscheid tussen portretten van mensen die voor eigen plezier een  foto lieten maken en van hen die hun foto's doorverkochten aan kranten. In 1859 hield hij de eerste tentoonstelling van 60 portretten. Nadar's portretten zijn zelfs naar hedendaagse maatstaven prachtige, verstilde en intieme inkijkjes in de unieke persoonlijkheid van de geportretteerde, of het nu een beroemde figuur was of een anonymus. Zichzelf portretteerde hij erg vaak. De stofomslag van dit boek laat een serie zien waarin Nadar zich letterlijk van alle kanten laat zien (ook op p.89).

In 1860 huurde en verbouwde Félix een nieuwe en veel duurdere studio op de Boulevard des Capucines met verschillende verdiepingen en salons (opening september 1861). Zijn kunstcollectie en het aantal medewerkers groeide (op een gegeven moment had hij maar liefst 50 man in dienst!). Nadar's studio werd een rendez-vous-plek voor de artistieke en intellectuele elite (Dumas, Offenbach, Doré, Sarah Bernhardt, George Sand e.v.a.).

Nadar had al vanaf zijn jeugd een fascinatie voor het 'vliegen' per ballon. Hij bracht zijn beide passies – fotografie & ballonvaart – samen en de luchtfotografie was geboren (1858)! Maar ook de diepte trok hem aan. Hij fotografeerde de Parijse catacomben (1861) en de nieuwe riolering (1864) die het ondergrondse equivalent waren van Haussmann's boulevards. Opnieuw een uitdaging: het fotograferen in de donkerte met artificieel licht.

Hij sloot zich aan bij een gezelschap pioniers dat het vliegen van de mens mogelijk wilde maken door middel van een soort propeller, een prototype van de helikopter. In zomer 1863 probeerde Nadar met de enorme ballon Le Géant geld te genereren voor zijn propeller-vlieg-project. Het publiek moest toegangsgeld betalen om de enorme ballon – met onderaan een cabine voor 20 ballonvaarders en voorzien van keuken, doka, toilet en wijnkelder! – te zien en het opstijgen mee te maken. De ballon maakte na ruim drie uur een vrij harde landing in de omgeving bij Meaux. Het technische probleem werd ontdekt en verholpen. Opnieuw zou Le Géant vanaf Parijs opstijgen, zelfs in aanwezigheid van Napoléon III. Zestien uur na het opstijgen maakte de ballon een verschrikkelijke noodlanding in Duitsland (omgeving Hannover). Gelukkig geen doden, maar alle ballonvaarders – inclusief Félix en zijn vrouw Ernestine – waren gewond. Ondanks de mislukking prezen velen (o.a. Jules Vernes en Victor Hugo) Félix' moed om het schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken. Er waren echter zoveel onkosten dat er geen geld overbleef voor het helikopterproject, dat vervolgens in de vergetelheid raakte. Leuk te lezen (p.151) dat Jules Vernes zijn held in De la terre à la lune Ardan noemde, een anagram van Nadar, en ook qua karakter en eigenschappen naar hem modelleerde.

Bij het beleg van Parijs door het Pruisische leger in 1870 gebruikte Nadar opnieuw enkele ballonnen om de positie van de vijand in kaart te brengen én om post af te leveren (66 maal!), o.a. aan de Franse autoriteiten in Tours en aan enkele dagbladen. De allereerste luchtpost!

Na de Frans-Pruisische oorlog en na de verwarring van de interne Franse politieke strijd (commune) moest Nadar zijn grote studio wel sluiten en huurde hij een kleiner en eenvoudiger ingerichte ruimte in de Rue d'Anjou. Hier werkte ook Nadar's zoon Paul. Toen Nadar nog huurder was van het pand in de Boulevard de Capucines maar het wél al leeg stond, werd daar van 15 april tot 15 mei 1874 de spraakmakende, eerste tentoonstelling gehouden van schilders van wie het werk in de officiële Salon keer op keer geweigerd was. (Met de organisatie van deze tentoonstelling had Nadar niets te maken.) Een criticus schreef in het satirische dagblad Le Charivari over het werk en gebruikte er voor het eerst het woord impression voor. Het impressionisme was een feit!

Tegen midden jaren 80 was Félix eindelijk schuldenvrij en had Paul zijn fotografenwerk voor het grootste deel overgenomen. Een van de mooiste portretten uit deze tijd is m.i. dat van Victor Hugo (p.171). Ook maakten vader en zoon Nadar Hugo's post-mortem-portret (p.172) in 1885.

Ernestine kocht in 1873 een huis buiten Parijs en daar bracht Nadar zijn tijd door al boeken, kunstkritieken en brieven schrijvend, vrienden ontvangend en hobbyschilderend. Ernestine's gezondheid verslechterde en in 1886 gingen Nadar en zijn vrouw op doktersadvies naar Italië, waar een beroerte haar linkszijdig verlamde. Terug in hun Franse buitenhuis verzorgde Nadar zijn Madame Bonne, zoals hij haar noemde, zelf met hulp van anderen.

Toen Paul in 1883 een relatie kreeg met een actrice die al een dochtertje uit een eerder huwelijk had, verslechterde de relatie tussen vader en zoon Nadar. Het conflict bereikte zijn hoogtepunt in 1894, toen Paul haar wilde trouwen met de zegen van zijn ouders én wilde dat zijn vader hem het alleengebruik van de naam Nadar gaf. Vrienden bemiddelden: Nadar trok zich uit de fotostudio terug, maar behield wel zijn pseudoniem. Paul trouwde zijn actrice, maar de sfeer tussen Paul en zijn ouders bleef lang vijandig.
Nadar zag in dat zijn zoon niet voor zijn ouders zou zorgen en ging weer fotograferen in een eigen studio in Marseille (1895). De zaken gingen goed en vier jaar later stond hij zijn belang in de studio af aan twee vrouwen die hem hielpen Ernestine te verzorgen. Ze betaalden hem een jaargeld.

Terug in Parijs overleed Ernestine op 3 januari 1909, Félix ruim een jaar later op 21 maart 1910.

Het laatste hoofdstuk is kort en geeft wat literatuur van en over Nadar. M.i. had dat wel iets uitgebreider gekund, maar er zijn voldoende titels om verder te grasduinen in het leven van Nadar en zijn tijdgenoten.
In de Appendix: Mementos of Nadar's world gunt Begley de lezer een interessant kijkje in het netwerk van Nadar. Hij beschrijft daarin het grote, in leer gebonden gastenboek van Nadar, het livre d'or, waarin iedereen – ruim 400 tijdgenoten – die zich door Nadar fotografisch liet portretteren iets schreef of tekende. Heerlijk om te lezen en te kijken naar de krabbeltjes of schetsjes van Doré, Offenbach, Berlioz, e.v.a.
Als laatste is een handige alfabetische Index opgenomen.

Al die portretten van beroemdheden .... zo fantastisch en intrigerend. Zelfs nu, in een tijd dat we overspoeld worden door 'selfies', zie je in Nadar's portretten de ware fotograaf die in staat was de 'mens' en diens persoonlijkheid indringend vast te leggen.

Het is een heerlijk boek en een absolute aanrader voor iedereen met een zwak voor Parijs, de negentiende eeuw of voor de geschiedenis van de fotografie!  

© conens & van wiechen drs A. van Wiechen