OudWeb-log & MOZAÏEK - voorbije toekomst



vrijdag 28 augustus 2015
islam | kunst & architectuur middeleeuwen syrië syrië | palmyra 

baalshamin moet het veld ruimen



 

Na het treffen tussen keizer Aurelianus en Zenobia werd de Palmyra in 273 geplunderd, maar zeker niet verwoest. Aan het eind van de derde eeuw werd de stad weer belangrijk in de verdedigingslinie tegen het oosten en er werden versterkingen gebouwd.
Het christendom bereikte Palmyra zeker in de vierde eeuw toen een bisschop uit die stad al deelnam het het concilie van Niceae (325). In de vroege vijfde eeuw moest Baalshamin het veld ruimen en werd zijn tempel in gebruik genomen als kerk.

Palmyra bleef bewoond en werd in de zevende eeuw deel van de islamitische wereld. In de tijd van de Omayyaden (tot 750) lag Palmyra tussen twee belangrijke vorstelijke residenties en de omgeving was dankzij irrigatie vruchtbaar. Er werd in Palmyra een overdekte marktplaats en huizen gebouwd en in een van de antieke tempels werd een moskee ingericht. In de negende eeuw verloor de stad langzaam maar zeker zijn belangrijkheid en de bewoners trokken weg. Toch dichtte in een twaalfde eeuw een reiziger in het Arabisch (vrij vertaald):
"Veel plaatsen heb ik gezien, maar ik heb niets gezien dat zo mooi gebouwd was als Palmyra. Een stad geheel uit gehouwen steen: Als men haar bekijkt, voel je een zekere eerbied. Als je steden met een menselijk lichaam vergelijkt, is Palmyra zeker het hoofd van alle!".

Later in de middeleeuwen toen de militaire activiteiten in de regio toenamen (kruistochten ed) werd op een heuvel 150m boven Palmyra een burcht gebouwd, die rond 1600 nog gerenoveerd werd. Palmyra was verder één groot ruïne Behalve rond de grote Bel-tempel. Daar sudderde het leven nog door en ontstond een dorp, dat in eind jaren twintig van de vorige werd verplaatst, zodat opgravingen mogelijk waren.

In de zeventiende eeuw begon Europa belangstelling te krijgen voor de oude, antieke wereld. Incidenteel wilden Europeanen Palmyra bezoeken, maar moesten vanwege de vijandelijkheid van de plaatselijke stammen hun pogingen staken.

In 1751 liepen Robert Wood en James Dawkins twee weken lang door Palmyra, begeleid door een gewapende escorte van ca. 200 man. Ze waren onder de indruk: "It is scarce possible to imagine anything more striking than this view: So great a number of Corinthian pillars, mixed with so little wall or solid building, afforded a most romantic variety of prospect". Geholpen door de Italiaanse architect Borra maakten zijn tekeningen die zij twee jaar publiceerden in The ruins of Palmyra otherwise Tedmor in the desart. Het boek werd direct populair en heeft Europese architecten en interieurontwerpers in die tijd sterk beïnvloed. Zo zagen Wood & Dawkins de Baalshamin-tempel (afb. hierboven). 

De Baalshamin-tempel werd tussen 1954 en 1956 door een Zwitsers team archeologen opgegraven, gerestaureerd en de beelden werden in het Palmyra-museum tentoongesteld.

En nu ....?

beeld & woord © conens & van wiechen