In 1678 waagden Engelse handelaren uit Aleppo zich in de Syrische woestijn om als eersten de roemrijke handelsstad Palmyra te herontdekken. Maar veel oog voor de ruïnes hadden ze niet, want ze vielen in handen van Arabische rovers die al hun bezittingen buitmaakten. Ze wilden daarna nog maar één ding: terug naar Aleppo. Het zou nog dertien jaar duren voordat de volgende groep Engelsen opnieuw op pad ging. Maar liefst vier dagen lang keken ze hun ogen uit en beschreven lyrisch de ruïnes. In het midden van de achttiende eeuw kwamen Robert Wood, James Dawkins en de Italiaanse architect Borra goed voorbereid met een tweehonderd man tellende karavaan - inclusief gewapende Arabische ruiters - in Palmyra aan. In de twee weken dat ze daar bleven werkten ze hard om zoveel mogelijk van de oude stenen resten op te meten, te tekenen en te beschrijven. Palmyra was weer op de kaart gezet! Meer reizigers en toeristen volgden. Ze waren meestal enthousiast, hoewel sommigen van hen zwaar teleurgesteld waren en die Palmyrese zuilen met consoles wel heel erg lelijk vonden!

Dankzij archeologisch onderzoek, dat ruim honderd jaar geleden begon, weten we steeds meer van deze oase- en handelsstad Palmyra. Ruim vierduizend jaar geleden moet deze plek in de woestijn, waar waterbronnen leven mogelijk maakten, zijn bewoond, al zijn de sporen nog vaag. In de eerste drie eeuwen van onze jaartelling bloeide de stad. Inwoners dreven handel met oost en west: zijde, specerijen en edelstenen uit Azië, zout, glas en aardewerk uit het Romeinse rijk. Ook belangrijk waren aromatische oliën die of in albasten kruiken of in zakken van geitenvel werden getransporteerd. De rijkdom van Palmyra is niet alleen af te lezen van de uitbundig versierde openbare en religieuze gebouwen en van de hoofdstraat met monumenten, bogen, zuilengalerijen en standbeelden, maar ook van de kenmerkende Palmyrese grafmonumenten waarop in steen mannen en vrouwen fraai bewerkte gewaden dragen en prachtige sieraden. De vondst van stukjes échte textiel - linnen, wol, Chinese zijde en katoen - bewijzen de kleurenpracht van de kleding, gordijnen en matrassen.

De inwoners van de stad kwamen overal vandaan. Via hen én de handelscontacten kwamen verschillende invloeden naar Palmyra. De Baal-tempel laat dat nu nog prachtig zien. De tempel, waarschijnlijk gebouwd door een Griekse architect, staat midden op een groot plein omgeven door zuilengalerijen (Romeins) en heeft een plat dak met een randversiering van kantelen, elementen die net zoals de hoofdgod (Baal) zelve uit het oosten, uit Mesopotamië afkomstig zijn. Op een van de tempel-reliëfs zijn drie bijna geheel bedekte vrouwen afgebeeld; een aanwijzing dat Palmyrese vrouwen zich bij bijzondere, religieuze ceremonieën sluierden of liepen ze in het openbaar altijd zó? Gold het elke vrouw of was - zoals in het oude Mesopotamië - het dragen van sluier of hoofddoek alleen voorbehouden aan  vrouwen van hoge komaf? 

Lopend door de hoofdstraat valt ons oog op een zuil met een lange Griekse en Palmyrese inscriptie en daar lezen we de naam van Palmyra's meest illustere inwoner: koningin Zenobia of Bat-Zabbaï. Haar man Odainatus (Odenathus) was de ongekroonde koning van Palmyra, die loyaal bleef aan Rome en de machtige Perzen een militair lesje leerde. Toen hij in 267 overleed - de geruchtenstroom is nog steeds niet opgedroogd: is hij vermoord en zo ja door wie? - nam Zenobia het heft in handen omdat haar zoontje Wahaballat of Vaballathus nog minderjarig was. Ze was een intelligente vrouw die dichters en filosofen uitnodigde en er alles aan deed om Palmyra's handel veilig te stellen in deze enigszins chaotische derde eeuw. Wat haar precies voor ogen stond, is niet met zekerheid te zeggen. Wilde ze meer macht hebben of een eigen Zenobia-rijk stichten toen ze haar generaals opdracht gaf gebied te veroveren op de Romeinen? Aangezien de keizerlijke Romeinse top vanwege interne problemen niet in staat was direct adequaat tegen Zenobia's expansiedrang op te treden, kon ze grote delen van Klein-Azië, Syrië en Egypte veroveren.

Eind 271 had keizer Aurelianus de rust in het rijk weer enigszins hersteld en daarom zijn handen vrij om in het oosten op te treden. In 272 - het jaar dat Zenobia en Vaballathus op munten hun namen met de keizerstitel sierden - wist Aurelianus het leger van Zenobia uiteindelijk te verslaan; Palmyra werd ingenomen en geplunderd. Aurelianus had de teugels strak in handen - Rome was weer oppermachtig in het oosten. Over het lot van Vaballathus is verder niets bekend; waarschijnlijk werd hij gedood. En Zenobia ?

Over Zenobia's lot zijn de bronnen niet unaniem. Ze werd in gouden ketenen naar Rome gevoerd om daar te figureren in Aurelianus' triomf in 274. Een thema dat later vooral in Italië werd verbeeld. In het Conservatorenpaleis in Rome schilderde Jacopo Ripanda in het begin van de zestiende eeuw hoe de Romeinse keizer - bovenop zijn triomfkar - zegevierde over de geketende en lager zittende Zenobia. Na de triomftocht zou Zenobia in Tivoli hebben gewoond, waar ze een Romein trouwde en kinderen kreeg.
Andere bronnen menen dat Zenobia al in Palmyra werd gedood of later 'ergens' onderweg naar Rome. Arabische mythen vertellen dat ze haar eigen gifring leegzoog toen ze haar vijanden - in deze versie waren dat niet de Romeinen - in Palmyra zag. Met een klassieke list waren ze de stad binnengedrongen: het Paard van Troje. Alleen waren het in dit geval kamelen, die in de zadeltassen soldaten binnensmokkelden!

Hoe dan ook Zenobia bleef de fantasie prikkelen. Boccaccio vond zijn tijdgenoten té eenzijdig; ze schreven biografieën van historische mannen, de vrouwen kwamen er bekaaid vanaf. Daarom schreef hij in het Latijn zijn boek De mulieribus claris (Over beroemde vrouwen, 1361-1362). Speciaal bedoeld voor een publiek van ontwikkelde lezeressen wilde hij juist historische, niet-christelijke vrouwen voor het voetlicht brengen. Zenobia was in zijn woorden moedig, knap, kuis en een voorbeeld voor alle vrouwen. In dezelfde periode beschreef Geoffrey Chaucer in zijn Canterbury Tales Zenobia als een moedige en sterke vrouw, geëmancipeerd en kuis. Ze hield van goud en juwelen, de jacht en de studie van vreemde talen, maar "Fortuna stortte haar in het ongeluk". 

Vooral vanaf de zeventiende eeuw werd de moedige Zenobia afgebeeld, beschreven of in opera's bezongen. Een mooi en vroeg voorbeeld is te zien in de Antichambre de la Reine in het paleis van Versailles; hier vertoefde aanvankelijk de lijfwacht van de koningin. Qua ligging, oppervlakte en functie was deze ruimte 'symmetrisch' met de Salon de Mars van de koning, waar de oorlogsgod Mars en historische legeraanvoerders de zaal van konings lijfwacht opvrolijkten. In de Antichambre de la Reine waren zes geschilderde reliëfs met verguldsel aangebracht met evenzoveel strijdvaardige vrouwen als onderwerp. Antoine Paillet schilderde Zenobia tijdens de veldslag met Aurelianus (1673).

Misschien niet zo populair als Cleopatra, maar ook Zenobia bleef in de herinnering voortleven. Reizende vrouwen in de negentiende eeuw lieten zich graag als een  nieuwe koningin Zenobia in Palmyra verwelkomen .... of toeristen logeerden bij de ruïnes in hotel Zenobia dat vanaf 1929 tot 1936 uitgebaat werd door een Franse barones die zich soms als Zenobia verkleedde.
Zenobia blijft bekend, ook bij tuinliefhebbers. Misschien dat vanwege de prachtige witte bloemen de struik Zenobia pulverulenta naar haar is genoemd?

 

© conens & van wiechen drs. A. van Wiechen