In een kort gedicht somde de Griekse dichter Antipater, die leefde in de tweede eeuw vC, de wereldwonderen op.  Vrij vertaald dichtte hij als volgt:

Ik heb gezien Babylons' muren  - onneembaar en wagenbreed -
en ik keek naar Zeus aan de oever van de Alpheios in Olympia.
Ik bezichtigde de hangende tuinen,
ik stond oog in oog met Helios' indrukwekkende kop,
ik keek op naar de geweldige piramiden aan de Nijl en
ik zag de gigantische tombe van Mausolos.
Maar toen ik eindelijk stond voor Artemis' tempel die zich verheft tot in de wolken,
toen verbleekten al de andere wonderen.
Ik zei: Hebben Helios' ogen buiten de hoge Olympus
iets gezien wat hier op lijkt.

Kortom er zijn volgens Antipater maar liefst TWEE wereldwonderen in Babylon:  de indrukwekkende stadsmuren én de hangende tuin(en).

De vrouw van de Babylonische koning had zo'n heimwee naar haar geboortegrond dat ze haar man vroeg het Perzische, bergachtige landschap te imiteren. Verliefd als hij was, gaf hij opdracht een kunstmatige tuin aan te leggen op een immense theaterachtige opbouw. Ook verfraaide koning Nebukadnesar II (zesde eeuw vC) Babylon met nieuwe paleizen en stadsmuren, tempels en tempeltorens, o.a. de ons uit de bijbel bekende toren van Babel. Vooral de stevigheid en de dikte van de muren waarop twee vierspannen elkaar met gemak konden passeren, imponeerden bezoekers.

Toen het hoogtepunt van het Babylonische rijk voorbij was, de hoofdstad meer dan eens geplunderd en voor een deel verwoest, bleef de grootsheid van de hangende tuin en van de stadsmuur in het geheugen van reizigers en schrijvers gegrift. Zelfs Alexander de Grote (rechts) was gevoelig voor die oude roem, want hij was van plan deze stad tot zijn hoofdstad te maken. Een voornemen dat door zijn vroege dood nooit gerealiseerd kon worden.

Beide, tuin én muur van Babylon, werden in de hellenistische periode opgenomen in de lijst van de zeven wereldwonderen. In de latere overlevering werd de historische persoon van koningin Semiramis, die in de negende eeuw vC leefde, met de bouw van stadsmuren en tuin verbonden, hoewel de schrijver Diodorus Siculus al in de eerste eeuw vC met klem de toewijzing aan Semiramis afwees.

Een van de eersten die de overblijfselen van Babylon met eigen ogen heeft gezien was de Italiaan Pietro della Valle. Deze rijke en leergierige Italiaan had in 1614 zijn vaderland verlaten vanwege een ongelukkige liefde. Hij reisde naar Constantinopel en Egypte en combineerde nieuwsgierige reislust met een religieus reis-motief : de bedevaart naar Jeruzalem. Hij trouwde een knap en gracieus achttienjarig meisje in Bagdad, een stad die - zo legde hij ook in zijn brief uit - niet het uit de bijbel bekende Babel of Babylon was. Hij had gehoord dat er nog resten van het oude Babylon  waren en hij wilde die graag met eigen ogen zien. Op 19 november 1616 verliet hij Bagdad om samen met zijn jonge vrouw de gevaarlijke reis zuidwaarts te ondernemen. Tegenwoordig is de afstand in enkele uren te overbruggen, maar Pietro's karavaan had vier dagen nodig. Hij was vergezeld van vijf gewapende mannen en afgezien van hun eigen paarden liepen drie kamelen mee beladen met tenten en keukengerei. Aan de oever van de Eufraat zette hij bij de ruïnes zijn tent op en ging op onderzoek uit. "Ik liep door de ruïnes, ik klom naar boven, kroop in holtes en ik keek en keek ....". Hij probeerde met de beschrijving van Herodotus in de hand de stad te herkennen, maar moest uiteindelijk concluderen dat "behalve de grote hoeveelheid ruïnes ... er geen enkele aanwijzing is dat hier ooit een zo'n grote stad heeft gelegen". Dat Babylon daar écht aan de Eufraat lag, bleek bijna driehonderd jaar later uit opgravingen die vanaf 1898 plaatsvonden onder leiding van de archeoloog Robert Koldewey.

Tijdens de opgravingen bleek al snel dat de zesde-eeuwse Babylonische stadsmuren terecht om hun grootsheid bewonderd werden en dat antieke auteurs, onder wie Herodotos, niet overdreven hadden toen ze de muren beschreven. Behalve de ruim acht kilometer lange en 17 meter dikke binnenmuren rond de hele stad was het belangrijkste gedeelte van Babylon op de oostelijke Eufraatoever voorzien van een tweede - ruim 20 meter dikke - stadsmuur. De muren waren opgetrokken uit twee aparte, metersdikke muren van ongebrande leemtichels waartussen aarde en zand werd gestort. Aan de buitenzijde van deze dubbele ommuring lag nog eens een gracht, die in geval van nood met Eufraat-water gevuld kon worden. De hoofdpoort in de binnenmuur lag in het noorden, de zogenaamde Ishtar-poort of Bab-ili (de godenpoort, vandaar wellicht de naam Babylon), vandaaruit volgde de weg langs het koninklijk paleis naar het belangrijkste stadsheiligdom in hartje Babylon.
De poort was schitterend versierd met geglazuurde tegelreliëfs van leeuwen (rechts), stieren en draken. In honderdduizenden fragmenten vonden archeologen deze reliëfs terug en na vele jaren puzzelen is een groot gedeelte van de kleurrijke Ishtar-poort van Babylon te zien ... in Berlijn en enkele fragmenten in Istanbul. 

En waar was het tweede wereldwonder, de hangende tuin van Babylon? Theorieën en fantasieën genoeg, maar harde bewijzen voor uiterlijk, locatie en zelfs voor het bestaan van deze bijzondere koninklijke tuin(en) zijn er niet. Alleen de antieke beschrijvingen doen vermoeden dat de tuin met terrassen - opgebouwd als een theater - aan de oever van de Eufraat heeft gelegen. Even dachten de eerste opgravers de fundamenten te hebben gevonden, maar al snel bleek dat het waarschijnlijk ging om de voorraad- en archiefruimten van het paleis. Maar in de archeologie weet je het nooit; het is misschien dit jaar niet opgegraven, maar wie weet wat het volgende opgravingsseizoen brengt? 

Eén ding is zeker, in Tweestromenland bestond een rijke tuin-traditie. Koningen cultiveerden vreemde gewassen, verpoosden heerlijk onder een pergola van druiventrossen en een van hen vertelde trots dat hij "als een eekhoorntje fruit verzamelde in mijn tuin van vreugden".
Wordt het paradijs ook niet juist dáár in Mesopotamië gesitueerd?