Pakweg 250 kilometer landinwaarts vanaf de Middellandse Zeekust ligt in het uiterste oosten van Algerije de stad Tebessa, omgeven door vruchtbaar graanland. De bloeiperiode van Tebessa, toen Theveste geheten, lag vooral in de tweede en derde eeuw, toen de stad deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Het derde legioen Augusta, verantwoordelijk voor de veiligheid van de Noordafrikaanse burgers, was er lange tijd gestationeerd. Er was een groots amfitheater en een kapitaalkrachtige legeraanvoerder fourneerde het geld voor de bouw van een prachtige boog met vier doorgangen, die in het midden van de stad stond. Ook een rijkversierde tempel uit deze periode (rechts) is puntgaaf bewaard gebleven en zelfs in de tegenwoordige rechte straten is de Romeinse regelmatige stadsplattegrond in de vorm van een dambord duidelijk te herkennen.

Ver beneden het huidige straatniveau en omringd door de dagelijkse geluiden van mensen, ezels en auto’s - en een stevig hek - ligt een heel andere wereld: een oase van stilte, letterlijk en figuurlijk afgeschermd van de alledaagse werkelijkheid. Het contrast wordt nog groter bij de gedachte dat het gaat om een metershoge ruïne, die leven en geloof van ruim 1600 jaar geleden weerspiegelt.
 
"Ik heb jouw offerhandeling gezien", een zin die van levensbelang kon zijn in de derde eeuw tijdens de christenvervolgingen. Commissies zagen erop toe dat men aan goden of keizer het gebruikelijke offerde en stelden daarvan schriftelijke bewijzen op. Ook in de Noordafrikaanse provincies, waar het christendom snel was doorgedrongen, weigerden fervente aanhangers van dit nieuwe geloof de traditionele offers te brengen. Om die reden werd een zekere Crispina samen met haar begeleiders tijdens de regering van Diocletianus in 305 ter dood gebracht in de omgeving van Theveste. Zij werden - zoals gebruikelijk -  begraven op de begraafplaats langs de uitvalsweg. Toen in het begin van de vierde eeuw het christelijk geloof officieel werd getolereerd, ontstond een verering voor Crispina. Men ging bij haar graf bidden en uiteindelijk werd besloten een kerk te bouwen ter nagedachtenis van haar en haar metgezellen. Een zekere Novellus liet de namen van deze martelaren vastleggen in een vloermozaïek, waarvan archeologen fragmenten hebben teruggevonden.

De verering van de martelaren was blijkbaar zo populair, dat rond 400 een geheel nieuw kerkcomplex werd gebouwd. Het bouwterrein had bijna een rechthoekige omvang van 190 bij 90 meter. We weten niet hoe zo'n gigantische onderneming werd gefinancieerd. Waren het de gelovigen en pelgrims die diep in hun buidel tastten of waren het slechts enkele rijken die alles bekostigden? Uit archeologisch onderzoek blijkt wel dat er bij de bouw zeer veel handwerkslieden waren betrokken, want er zijn minstens 200 verschillende steenhakkerstekens op de bouwstenen te herkennen.
Middelpunt van devotie bleven de graven van de populaire heiligen, maar de architectonische blikvanger was de nieuwe, grote basiliek. Om deze kerk binnen te gaan, moest de gelovige eerst een indrukwekkend grote en brede trap op die toegang gaf tot een imposant open voorhof met zuilengalerijen, standbeelden en een stenen waterbekken in het midden.

De drieschepige kerk moet een verpletterende indruk op de pelgrim hebben gemaakt (hierboven). Het middenschip, eindigend in een absis, was ongeveer 45 meter lang en bijna 16 meter hoog en bekroond met een houten zadeldak. De zijbeuken en de verdieping daarboven waren van het hoge middenschip gescheiden door middel van een arcadenmuur. Op de voor Noordafrikaanse kerken toen zo karakteristieke manier stond pal voor deze muur een weelderig dekor van zuilen, fraaibewerkte kapitelen en consoles. De rijkdom aan verschillende gebeeldhouwde motieven op de consoles is opvallend: opengeklapte schelpen, sierlijke bladeren, kleine vogeltjes. Vooral de springende dolfijnen zijn nu nog, zo ver van zee verwijderd, een vertederend detail (rechts). Omdat dolfijnen ook al in de 'heidense' vormentaal populair waren, is het verband met het christelijke 'ichthus'(vis)-symbool beslist niet noodzakelijk. Bij deze overdadige versieringen volgde men blijkbaar niet de ideeën van tijd- en landgenoot Augustinus, die beeldhouwwerk wel mooi, maar overbodig vond.

Op de vloeren en in de absis waren kleurrijke mozaïeken met geometrische patronen aangebracht waarvan resten zijn teruggevonden. Kleden, schilderingen, psalmen, processies en wierook hebben hier geen sporen achtergelaten, maar behoorden zeker tot de aankleding van de kerk en bij de viering van de liturgie van toen. Veel komen we hierover te weten uit de geschriften van de kerkvader Augustinus, die in het huidige Algerije werd geboren en uiteindelijk bisschop werd van Hippo Regius, bij het huidige Annaba. Zijn preken, brieven en boeken zijn een bron van theologische kennis, maar ook de archeoloog bieden ze een schat aan informatie. Al weten we niet zeker of Augustinus Tebessa heeft bezocht - hij kende wel de martelares Crispina, die hij een enkele keer noemt in zijn preken -, uit zijn werk krijgen we een levendig beeld van de dagelijkse kerkelijke praktijken tijdens zijn leven in Hippo Regius, die niet veel verschild zullen hebben met die van Tebessa. Zo weten we dat er kleden het interieur sierden en dat kerkbanken niet aanwezig waren, want tijdens een preek realiseerde Augustinus zich ineens dat hij zijn staande gehoor al té lang (anderhalf uur!) had bezig gehouden; men zou nu wel moe zijn geworden.

Wanneer de gelovige de kerk binnenging, vond hij direkt aan zijn rechterhand de toegang tot een klaverbladvormige ruimte met de martelaarsgraven (hierboven). De muren waren kleurrijk bekleed met allerlei soorten marmer niet alleen afkomstig uit de Noordafrikaanse steengroeven, maar ook geїmporteerd uit Griekenland. Gewelven en vloer waren gesierd met duizenden mozaïeksteentjes en archeologen hebben zelfs glasresten met decoraties van bladgoud opgegraven. Het devotionele middelpunt overtrof de andere ruimten zeker niet in grootte, maar in kleur en pracht was het ongetwijfeld het - letterlijk - schitterende hoogtepunt.
Ernaast lag een klein baptisterium waar de nieuwe gelovigen in een rond doopbekken werden gedoopt. Hier en elders in de ruïne spreken fragmenten steen, afkomstig van bouwelementen en grafplaten, duidelijke christelijke taal, bijvoorbeeld afbeeldingen van het Christus-monogram (eerste twee letters van Christus' Griekse naam: X en P in elkaar geschreven, rechts).

Met uitzondering van de voorkant was de kerk geheel omgeven door kleine rechthoekige kamertjes, de sobere cellen van de kloosterlingen die de kerk, de eredienst en de pelgrims verzorgden. Heel uniek is de ruimte direct vóór de kerk. Vier grote vijvers (ongeveer 26 x 20 meter) met een betonnen vloer zijn nog steeds een raadsel voor de archeologen. Waren het vijvers voor de vis, die als maaltijd moest dienen voor hongerige pelgrims? Of waren het drinkwater-reservoirs? Of misschien was juist de genezende werking van het water, naast de relikwieën van de martelaren, dé grote trekpleister van Theveste voor de pelgrims?

Naast deze 'vijvers' lag een groot (ongeveer 50 x 22 meter) rechthoekig gasthuis, waar de pelgrim én zijn lastdier een gastvrij onderdak konden vinden. Groeven in de gladde kalkstenen vloer zorgden ervoor dat de beesten niet konden uitglijden en boven de troggen verraden uitgesleten gaten in de muur duidelijk de plaats waar de leidsels eens werden vastgemaakt. Voor de mens was in deze herberg plaats op de begane grond in het stro bij de beesten of op een hoger gelegen verdieping, waarvan de aanwezigheid slechts bewezen wordt door resten van trappen.

Het hele pelgrimscomplex - gasthuis, vijvers, klooster en kerk - was omgeven met een stevige muur, die niet hele legers, maar wel kleine roofbendes, die de omgeving af en toe onveilig maakten, op een afstand kon houden.
Zo op het oog dus een door-en-door religieus complex waar eventueel de (vermeende) genezende werking van het water de zieke pelgrims ook nog eens soulaas kon bieden. Maar wanneer je de politieke situatie van die periode bekijkt, zou het complex ook wel eens een duidelijke, politieke boodschap kunnen hebben. Immers in de vierde eeuw werd christelijk Noord-Afrika geteisterd door interne tweespalt die met moord en doodslag gepaard ging. Augustinus en collegae bisschoppen belegden in 411 een godsdienstige dialoog tussen de 'strijdende' partijen. Toen bleek duidelijk dat de gelovige gemeenschap in tweeën was verdeeld. Augustinus stond aan de kant van de 'katholieken' en hun tegenstanders werden donatisten genoemd, naar Donatus, een van hun leiders. De donatisten waren duidelijk: zij die in de tijd van vervolgingen door smoesjes en compromissen hun leven hadden weten te redden, waren niet de ware gelovigen. De aanwezige keizerlijke afgezant hoorde beide partijen aan en besliste ten gunste van de groep van Augustinus c.s.

Beide stromingen waren ook in Theveste vertegenwoordigd toen het pelgrims-complex werd gebouwd. Maar welke groep was voor de bouw verantwoordelijk? Bouwactiviteiten van deze grootte én de voltooiing ervan konden alleen door 'katholieken' worden bekostigd, zo menen onderzoekers. Het is ook verleidelijk om de bouw met een andere historische gebeurtenis te verbinden. Vlak bij Tebessa werd aan het eind van de vierde eeuw de opstandige bestuurder Gildo, die zich wilde losmaken van het Romeinse Rijk en zich lieerde aan de donatisten, door een regeringsleger totaal verslagen. Het pelgrimscomplex was wellicht niet alleen bedoeld ter verering van enkele martelaren, maar tevens was het zo schitterend en groots uitgevoerd om de triomf te symboliseren van de christenen over de 'ketters', de donatisten.

 

Ruim zestien eeuwen geleden zocht de pelgrim hier soelaas voor zijn kwalen en redding voor zijn ziel, én zag hij in de kerkelijke pracht en praal de triomf van 'zijn' geloof.