Pakweg 250 kilometer landinwaarts vanaf de Middellandse Zeekust ligt in het uiterste oosten van Algerije de stad Tebessa, omgeven door vruchtbaar graanland. In de middeleeuwen roemde een Arabische geograaf de prachtige walnotenbomen met grote en smakelijke noten. De stad was toen weliswaar een economisch en militair centrum, maar zij was slechts een schim van wat zij eens was geweest. Binnen de stevige ommuring met torens woonden de middeleeuwers in en op ruïnes van oude onbegrepen bouwwerken uit de Romeinse periode.

De bloeiperiode van Tebessa, toen Theveste geheten, lag vooral in de tweede en derde eeuw, toen de stad deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Het derde legioen Augusta, verantwoordelijk voor de veiligheid van de Noordafrikaanse burgers, was er lange tijd gestationeerd. Er was een groots amfitheater en een kapitaalkrachtige legeraanvoerder fourneerde het geld voor de bouw van een prachtige boog met vier doorgangen, die in het midden van de stad stond. In de tegenwoordige rechte straten is de Romeinse regelmatige stadsplattegrond in de vorm van een dambord duidelijk te herkennen.

 

Een rijkversierde tempel uit de derde eeuw is bijna puntgaaf bewaard gebleven. Maar de indruk die de tempel eens maakte, is teniet gedaan. Oorspronkelijk stond de tempel op een vier meter hoog podium, op een vierkant plein, omringd door zuilengalerijen. In de loop der eeuwen toen de tempel afwisselend werd gebruikt als kerk, kantine, opslagplaats en gevangenis steeg het straatniveau. Nu is de tempel bijna gelijkvloers met de straat. Het plein is verdwenen en de tempel is ingebouwd en omgeven met een ijzeren hek, maar het blijft een pareltje van Romeinse tempel-architectuur. Men gebruikte locale kalksteen en wittig marmer (nu verkleurd) voor de zes vrijstaande zuilen aan de voorkant. Verder zijn aan de zij- en achtertempelmuren steeds vier pilasters met kapitelen vormgegeven. Qua grootte en conservering is deze tempel goed te vergelijken met het Maison Carrée in het Zuidfranse Nîmes, met dit verschil dat het Maison Carrée al in de eerste eeuw vC werd gebouwd.

Wat deze tempel in Tebessa zo bijzonder maakt, is de brede daklijst vol reliëfs, waarop staande mannen, guirlandes, hoornen des overvloeds en toneelmaskers zijn weergegeven .... en een vogel met uitgestrekte vleugels die op slangen staat. De eerste Franse archeoloog die deze tempel beschreef, zag er een uil in. Uilen horen nu eenmaal bij Minerva (Athena) en dus werd het de 'Temple de Minerve'. Beter kijken: de slangen bleven, maar de uil veranderde in een adelaar. Een van de staande mannen leunt op een knots. Dat kan dus niemand anders zijn dan Hercules (Herakles). Hercules doodde als baby de hem bedreigende slangen. Hij triomfeerde over slangen, zoals de adelaars in de Tebessa-reliëfs lijken te doen (rechts). De adelaar als symbool voor de macht van de Romeinse keizer. Keizer Septimius Severus (r. 193-211, rechts) was afkomstig uit Noord-Afrika (Libië) en deze keizer had een persoonlijke voorkeur voor Hercules .... en voor Bacchus (Dionysus), die met enige moeite ook op het Tebessa-reliëf geïdentificeerd kan worden (met klimop).

De boodschap van deze tempel lijkt duidelijk: de beschermgoden van de keizer worden geëerd omdat zij gezamenlijk (goden & keizer) zorgen voor voorspoed (hoornen des overvloeds, guirlandes). Een voorspoed die in het begin van de derde eeuw goed merkbaar is in het administratieve en handelscentrum Tebessa. In een bloeiperiode is er geld om de stad te verfraaien met openbare gebouwen en tempels én tegelijk met die bouw de goden en de keizer te eren opdat de voorspoed blijft .... 

Kortom, 'do ut des' = ik geef opdat gij geeft!
De cirkel is rond!