ferdowsi's boek der koningen

 

Het boek der koningen [Shahname] - De verhalen van Rosta
Abolqasem Ferdowsi; uit het Perzisch vertaald door Marjolijn van Zutphen
Amsterdam: Uitgeverij Bulaaq, 2012
496 p., 32 kleurenill., kaartje, gebonden & met leeslint
ISBN 978-90-5460-181-4 ● € 39,50

 

Ik houd van mythen & verhalen en dus ook van de Shahname. Mijn favoriete verhaal: hoe de Iraanse koning Key Kawos naar de hemel vloog!
En nu is er deze Nederlandse vertaling.
Een heerlijk boek!

Rostam - ook wel Tahamtan genoemd - is een van de belangrijkste helden in de Shahname. Als een Iraanse Hercules draagt hij altijd zijn stierenkopknots bij zich en zijn tijgervelkuras houdt water, vuur en wapens tegen. Hij heeft een olifantachtig lichaam, is lang als een hoge cipres, eet het liefst in zijn eentje een hele geroosterde wilde ezel op en zit altijd op zijn lievelingspaard Rakhsh, een leeuwendodend  paard met een olifantenlijf. Rostam streed voor de Iraanse koning, bevocht een gevaarlijke draak, een tovenares "vol list en bedrog" (p.130) en demonen. Kortom, een bijzondere held én hoofdfiguur in de verhalen die in dit boek in het Nederlands zijn vertaald. Het betreft een letterlijke vertaling in proza en daar waar stukken van de Shahname worden overgeslagen, wordt de verhaallijn beknopt en duidelijk naverteld.

De Shahname ofwel Het Boek der Koningen is een heel lang gedicht van circa 50.000 dubbelverzen (p.453) geschreven door Abolqasem Ferdowsi, van wie weinig met zekerheid bekend is. Hij werd rond 940 geboren, was afkomstig uit de omgeving van Tus (bij het huidige Mashhad) en stierf tussen 1020-1025. Rond 977 zou hij begonnen zijn met zijn Shahname dat hij in 1010 voltooide. Hij putte uit oudere, pre-islamitische Iraanse kronieken, mondeling overgeleverde verhalen en andere bronnen, zoals de Alexanderroman en Centraalaziatische verhalen. De eerste helft van Ferdowsi's Shahname gaat over de eerste koningen en helden van Iran en is puur mythologisch. Rostam is in dit gedeelte de held bij uitstek. De tweede helft betreft de heerschappij van de Achaemenieden en Alexander de Grote tot de verovering van Iran door de Arabieren en is iets historischer. D.w.z. de genoemde personen hebben bestaan, maar de verhalen hebben een sterk mythisch karakter. Ferdowsi's werk is tot op de dag van vandaag erg populair en heeft verhalenvertellers en kunstenaars altijd geïnspireerd. Shahname-handschriften met schitterende miniaturen zijn bewaard gebleven en in dit boek zijn 32 kleurenillustraties opgenomen van belangrijke scènes uit verschillende handschriften die de verhalen prachtig illustreren.
Deze vertaling neemt de lezer direct mee naar de regering van de legendarische, Iraanse koning Manuchehr. Een van zijn legeraanvoerders was Sam, zoon van Nariman, die in de provincie Sistan (ZO-Iran en een gedeelte van Afghanistan) een bijna onafhankelijk bestuur voerde, maar wel ondergeschikt was aan de Iraanse koningen. Belangrijk zijn de vele oorlogen tussen Iran en Turan, een land ten oosten van Iran.

Sam kreeg bij een mooie vrouw "met haar zonnegezicht" een zoontje, "maar hoe zijn gezicht ook straalde, zijn haren waren helemaal wit". Niemand durfde het de vader te vertellen "dat zijn mooie geliefde een grijsaard had gebaard" (p.19). Het kind werd Zal of Dastan genoemd. Toen Sam zijn zoon-met-het-witte-haar zag, gaf hij bevel het te vondeling te leggen in een streek waar de Simorgh, een enorm grote fabelvogel, leefde. Deze Simorgh voedde de baby op. Hij groeide op en werd "een jongeman als een hoge cipres, met een borstkas als een zilveren berg en een taille als een rietstengel" (p.21). Uiteindelijk erkende vader Sam zijn zoon Zal. Zal werd aan het Iraanse hof gepresenteerd en volgde zijn vader op. Hij reisde rond in zijn koninkrijk en kwam in Kabol aan. Daar had hij een ontmoeting met Kabol's koning Mehrab, die na afloop Zal in superlatieven beschreef aan zijn vrouw Sindokht. Hun dochter Rudabe luisterde dit gesprek af en ze begon "te gloeien en haar gezicht werd rood als een granaatappel. Haar hart stond in vuur en vlam door haar liefde voor Zal en haar rust, eetlust en geduld verdwenen". Uit haar naam benaderden haar slavinnen Zal en een ontmoeting was het gevolg, "maar de leeuw maakte de wilde ezel niet tot prooi" (p.45). Het geheim van beiden lekte uit en er waren heel wat brieven en bemiddelingspogingen nodig om een huwelijk tussen hen mogelijk te maken. "Het gelukkige paar moest plaatsnemen op twee tronen en werd met robijnen en smaragden bestrooid. De maan kreeg een schitterende diadeem op haar hoofd en de prins een met juwelen bezette kroon .... Ze gingen daarvandaan naar de feestzaal, waar ze een week lang zaten met wijnbekers in de hand. Daarna keerden ze vanuit het paleis terug naar de privé-vertrekken, waar ze zich nog drie weken lang in blijdschap vermaakten ...." (p.90-91). Niet lang daarna kreeg "cipres Rudabe" (p.93) haar zoon Rostam, "tien voedsters waren nodig om Rostam van melk te voorzien ... Nadat hij voldoende melk had gedronken, werd hij met trots gevoed met galnoten en vlees. Hij had voedsel nodig voor vijf mannen" (p.97). Zo'n jonge held had natuurlijk een bijzonder rijdier nodig en dat werd het paard Rakhsh.

Na een periode van onrust haalde Rostam een verre nazaat van een oude Iraanse koning op om de vrijgekomen troon te bemannen. Met Key Qobad begon de nieuwe Iraanse dynastie, de Keyanidische. Hij sloot vrede met Turan en werd opgevolgd door zijn zoon Kay Kawos. In deze regeringsperioden verrichtte Rostam zijn heldendaden, doorstond beproevingen en vocht voor Key Kawos tegen de koning van Mazandaran, een fictief land ten oosten van Iran. Overigens was er in de regeringsperiode van deze vorst en zijn opvolger en kleinzoon Key Khosrow weer volop oorlog met Turan.

Behalve oorlog voeren, moest Rostam ook strijd leveren met zijn bloedeigen zoon Sohrab. Op een dag was Rostam "wat bedrukt op het hart" (p.171) en ging jagen. Toen hij in de buurt van de grens met Turan was gekomen, zag hij de steppe vol wilde ezels. Hij jaagde, ving en roosterde een ezel en trok "het vlees uit elkaar, at het op en zoog het merg uit de botten" (p.172). Na zijn siësta bleek Rakhsh door Turkse ruiters te zijn meegenomen naar de hoofdstad van Samangan. Rostam liep naar Samangan en werd daar door de koning vriendelijk en gastvrij ontvangen. 's Konings dochter Tahmine kwam bij Rostam's bed en bekende de held dat ze had verlangd naar de "schouders, nek en borst" van Rostam en zei: "Als je mij wilt hebben, zal ik de jouwe zijn. Niemand anders zal mij zien, behalve vogels en vissen" (p.175). Rostam kreeg de volgende dag zijn paard terug en vertrok. Negen maanden later kreeg Tahmine haar zoon Sohrab "als een stralende maan" (p.176). Deze episode is een ware tragedie, want de jonge Sohrab werd een sterke, enigszins arrogante leeuwendoder die graag zijn vader wilde leren kennen. Uiteindelijk doodde vader Rostam zijn zoon Sohrab in een tweegevecht.

We lezen verder hoe Rostam de demon Akwan, die het uiterlijk van een wilde ezel had aangenomen, doodde (p.227-235). Daarna volgt de liefdesgeschiedenis tussen Bizhan, een andere Iraanse held, en Manizhe, de dochter van de Turaanse koning Afrasiyab. Toen papa achter de liefdesaffaire kwam, werd Bizhan geketend in een diepe put gegooid en Manizhe uit het paleis verdreven. Zij bleef bij de put om Bizhan enigszins bij te staan. Koning Key Khosrow vroeg aan Rostam om Bizhan te bevrijden. Natuurlijk deed Rostam dat. Na avonturen en strijd zorgde hij ervoor dat Bizhan en zijn trouwe metgezellin Manizhe veilig het hof van de Iraanse koning bereikten.

Daarna het verhaal van Rostam en koningszoon Esfandiyar (p.303-384) waarin het volgende dilemma centraal staat: moet 's konings bevel altijd opgevolgd worden ook al lijkt het een onrechtvaardig bevel? Rostam was net iets slimmer dan Esfandiyar en wist deze te doden. De stervende vroeg Rostam om zijn zoon Bahman op te voeden en Rostam zei: "Alles wat je hebt gezegd, zal ik uitvoeren. Ik zal hem op de beroemde troon plaatsen en hem de geliefde kroon op het hoofd zetten"  (p.375). Zo geschiedde. Uiteindelijk stierven Rostam, zijn paard Rakhsh en zijn broer Zaware een gruwelijke dood door toedoen van hun halfbroer Shagdad.

De Shahname gaat over liefde en trouw, over haat en bedrog, over oorlog en stromen bloed, over wraak, veel wraak. Het laatste hoofdstuk van deze vertaling maakt de cirkel in dit opzicht rond. Toen Bahman eenmaal op de troon van zijn grootvader zat, nam hij wraak voor de dood van zijn vader Esfandiyar op Rostam's zoon Faramarz. Maar toen hij zich ook wilde wreken op Rostam's vader Zal, wist een goede raadgever hem met deze woorden op andere gedachten te brengen: "Zolang u een edelgeboren koning bent, val dan niemand van een goed geslacht nog lastig. Wanneer de zoon van Sam van Nariman [= Zal] zich vanuit zijn gevangenschap beklaagt bij de hooggeplaatste Almachtige, zal dat u ondanks uw goede gesternte schaden, want hij richt zijn klacht tot de Schepper. Een man als Rostam, de bewaker van de troon van de Iraanse koningen, heeft zich bij elke dreiging omgord. Het is dankzij hem dat u deze kroon hebt ontvangen, niet dankzij de verdiensten van Goshtasp [= Bahman's opa en voorganger op de Iraanse troon] en Esfandiyar [= Bahman's vader] ..... Als u verstandig bent, ontdoet u Zal van zijn boeien en wendt u uw hart van het pad van de slechtheid af" (p. 409). Bahman was verstandig! "De koning kwam tot rust, zat gelukkig op zijn troon en bestuurde het land volgens de tradities en met rechtvaardigheid" (p. 410).
Hiermee is deze Nederlandse vertaling afgesloten, de Shahname gaat nog veel verder en ik hoop dat vertaalster Marjolijn van Zutphen ooit de tijd & de moed vindt om ook zo'n prachtige vertaling te maken van de rest van het Boek der Koningen dat vooral verhaalt over Alexander de Grote en de Sassanidische koningen. 

Deze verhalen zijn net zo klassiek als Homerus' Ilias & Odyssee. Maar het leuke is dat de lezer - gewend aan deze klassieken - nu een andere wereld voorgetoverd krijgt. Een wereld die ver van ons afstaat, maar waarin menselijke twijfels, emoties en arrogantie wel duidelijk herkenbaar zijn. Een wereld vol Byzantijnse helmen en Indiase klokken, vol passende eregewaden en rijkelijk vloeiende wijn, vol edelstenen en bloed doordrenkte grond, vol razende leeuwen en wilde ezels, vol wraak en niet te vergeten het steeds draaiende wiel (= het lot). Het zijn verhalen die de Iraanse - of zo u wilt: Perzische - kunst & cultuur sterk hebben beïnvloed tot op de dag van vandaag.

Het is een prachtige vertaling van Marjolijn van Zutphen, die in 2011 promoveerde op de verhalen rond Faramarz, Rostam's zoon. Terecht heeft ze niet geprobeerd ritme of rijm in haar vertaling aan te brengen. Het Perzisch is in dat opzicht niet te evenaren en zou een nogal gekunsteld soort Nederlands opleveren. Nee, een zakelijke vertaling in proza die heel makkelijk leest en het beeldend vermogen van het Perzisch uitstekend weergeeft.
En mocht het u na enkele pagina's enigszins duizelen vanwege alle vreemde namen, geen probleem. Van Zutphen heeft handige verklarende lijsten van persoons- en geografische namen en algemene termen toegevoegd. Ook het korte chronologische overzicht en de genealogie van de Iraanse koningen maken het tussendoor even opzoeken makkelijk. In haar nawoord beschrijft ze de historische situatie waarin Ferdowsi zijn Shahname schreef, de bronnen die hij mogelijk gebruikte en geeft ze een korte inhoud.

Met deze uitgave van een zó klassiek werk in het Nederlands in een mooi vormgegeven boek (harde kaft, leeslint en afbeeldingen van miniaturen) heeft Uitgeverij Bulaaq opnieuw laten zien dat uitgeven van bijzondere boeken een pracht vak is en nog steeds mogelijk is.
Zo'n boek is niet gemaakt voor de snelle zappers, maar voor hen die een goed klassiek boek in alle betekenissen van dat woord op waarde weten te schatten.

Een pareltje! 

© conens & van wiechen drs. A. van Wiechen