aanrader cd paër il santo sepolcro

 

Ferdinando Paër
Il Santo Sepolcro
Simon Mayr Chorus and Ensemble o.l.v. Franz Hauk
Cornelia Horak sopraan, Vanessa Barkowski alt,
Thomas Michael Allen tenor & Jens Hamann bariton
Naxos 8.572492, opgenomen in 2008, uitgebracht in 2012 • € 9,99
op de website van Naxos is de volledige tekst van dit oratorium
met een Duitse en Engelse vertaling te lezen

 

Musicologe Ellen von Holtz over deze cd:

Een andere passie 
Over een paar weken is het Pasen, en dat betekent dat het weer tijd wordt om de muziek voor de Goede Week tevoorschijn te halen. Natuurlijk de vertrouwde Mattheüs en de Johannes! Maar voor wie eens een andere passie wil horen, is er ook Il Santo Sepolcro van Ferdinando Paër. Een prachtige opname daarvan verscheen onlangs bij Naxos.
Ferdinando Paër (Parma 1771-Parijs 1839) was, voornamelijk als operacomponist, werkzaam in Venetië, Wenen en Dresden, waar hij bij keurvorst Friedrich August I van Saksen een aanstelling voor het leven kreeg. Maar als onderdeel van politieke onderhandelingen trok hij echter vanaf 1807 in het kielzog van Napoleon mee naar Warschau en Parijs. Hier werd Paër kapelmeester aan diverse theaters en werkte onder andere samen met Rossini. Als muziekpedagoog was hij ook verbonden aan het conservatorium en mocht hij de jonge Franz Liszt onder zijn leerlingen rekenen.
Paër begon zijn muzikale loopbaan met geestelijke muziek voor de kerk in Parma, maar al snel verlegde hij zijn interesseveld naar de Italiaanse opera. De eerste, Orfeo et Euridyce, ging in 1791 in Parma in première. In totaal schreef hij over de 50 opera's, waarmee hij tijdens zijn leven veel succes had, maar waarvan de meeste na zijn dood in vergetelheid zijn geraakt.
Voor het componeren van het oratorium Il Santo Sepolcro heeft hij naar alle waarschijnlijkheid een opdracht ontvangen van het hof in Dresden. Het werk moet voor of in 1807 zijn geschreven, omdat er in dat jaar voor het eerst melding werd gemaakt van een uitvoering.
Il Santo Sepolcro ossia La Passione di Gesù Cristo (Het Heilige Graf ofwel het lijden van Jezus Christus) staat in de traditie van muziek rond het lijden van Christus, dat op vele plaatsen tijdens de week voor Pasen en met name op Goede Vrijdag herdacht werd. Hierbij past ook aan Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze van Joseph Haydn, geschreven in 1787 voor de grottenkerk in Cadiz.

Het verhaal
De tekst van het oratorium is van Abate Pietro Bagnoli en is onderverdeeld in 17 episodes waarin het lijdensverhaal wordt verteld door Maria Magdalena (de vrouw naast Jezus), Johannes (een leerling), Nicodemus (een goed gezinde farizeeër die bij de begrafenis van Jezus was) en Josef van Arimathea (de eigenaar van het graf).
Het is niet het lijdensverhaal in traditionele zin, zoals in de Mattheüs of de Johannes. Het speelt zich pas na de kruisdood af. De hoofdpersonen staan bij het graf en rouwen ieder op hun eigen wijze om het heengaan van Christus en halen herinneringen op aan de gruwelijkheden van de lijdensweg. Maar tussendoor is er ruimte voor woorden van troost en hoop op een betere toekomst: een hemel die weer bereikbaar is voor alle stervelingen. De dood zal niet zegevieren, Christus zal verrijzen, is de boodschap. Ook wordt vergeving gevraagd voor degenen die Christus’ dood op hun geweten hebben. En bewondering geuit over Jezus, die dit lijden allemaal onzelfzuchtig onderging en over de kracht die zijn moeder Maria op moest brengen. De Dag des Oordeels, de clementie van de Wereldrechter en de lofzang op de glorierijke hemel vormen het triomfantelijk einde.

De muziek
Paër nam elk tekstfragment te baat om er muzikaal iets moois van te maken, ieder met een karakter dat bij de tekst past en wist een doorlopend geheel te creëren. Als operacomponist, met veel gevoel voor drama, kon hij het niet weerstaan om zeer expressief te werk te gaan. De stemming die hij in de muziek weergeeft is beurtelings verwachtingsvol, lieflijk, troostrijk, grillig, angstig.  Met effecten als trillers of suggestieve ritmes in de begeleiding weet hij het verhaal te ondersteunen, zoals het beven van de aarde of het scheuren van het gordijn, of de vluchtende discipelen.
Vooral ook in de recitatieven, de snel gezongen passages met begeleiding, waarin het verhaal in hoger tempo verteld kan worden dan in de meer beschouwende aria’s, wist hij een grote expressiviteit aan de dag te leggen. De vocale rollen voor de vier hoofdpersonen, sopraan, alt, tenor en bariton, zijn solistisch en de componist stelt vrij hoge eisen aan hun zangkunst. Daarnaast speelt het koor een ondersteunende rol, enkele malen alleen de vrouwenstemmen, als engelenkoor.

Enkele hoogtepunten:
het begin, dat verwachtingsvol de stemming maakt, vervolgens het recitatief waarin het graf wordt voorgespiegeld als plaats van toekomstige vreugde, dan de grote aria van Maria Magdalena, vertwijfeld en moedeloos, waarbij de sopraanstem omspeeld wordt door een prachtige hobopartij. De lieflijke engelenkoren, die troost bieden. De behoorlijk virtuoze aria van Nicodemus, waarin hij de sterke eigenschappen van moeder Maria bezingt, met tussenspelen van hobo’s en celli, als ware het een concertante opera-aria. Het daarop volgende recitatief lijkt regelrecht uit een opera van Mozart te komen. Ook enkele kwartetten van de vier solisten zitten heel kunstig in elkaar en doen denken aan het werk van Mozart in Le Nozze di Figaro of Don Giovanni. De Finale is kort, maar wel indrukwekkend, met groot orkest, solisten en koor.
Het geheel is een mooie afwisseling van koor en solisten, met fraaie orkestrale tussenspelen. Te oordelen naar de muzikale taal moet Paër de grote opera’s van Mozart en de oratoria van Haydn en ook werk van een vroege Beethoven en van Luigi Cherubini goed gekend hebben. Een passage doet denken aan de Koningin van de nacht uit Mozarts Die Zauberflöte, en waar het koor zingt over het verrijzen van Christus, lijkt er al een motief op te duiken dat Beethoven later in het slotkoor van zijn Negende Symfonie gebruikte. Ook duikt in een koorstuk ineens het Dies Irae-motief op.

De opname
Omdat Paërs werk niet opent met een duidelijke Ouverture, slechts met een instrumentaal voorspel, is voorafgaand aan het oratorium de Invito van Simon Mayr opgenomen. Mayr (1763-1845) was ongeveer een tijdgenoot van Paër en in zijn tijd ook een zeer geliefd componist van Italiaanse opera’s en oratoria. Hij werkte voornamelijk in Bergamo en dirigeerde veel werk van Haydn en Beethoven. Naar Italiaanse traditie componeerde Mayr voor Haydns oratorium Die sieben Worte een prelude,  Invito, een uitnodigend welkomstgezang met solisten, koor en orkest.
Het is een mooie, goed verzorgde uitvoering, door vocale solisten met mooie stemmen en heel veel operaervaring, een goed klinkend orkest met goede blazers die vaak een solopartij hebben. De leiding van het geheel is in handen van dirigent Franz Hauk, een Zuid-Duits musicoloog en kerkmusicus, die veel studie heeft gedaan naar het werk van Mayr. In 2003 richtte hij een eigen koor en orkest op om diens werk uit te kunnen voeren in een tijdsgetrouwe benadering, dat wil zeggen: met instrumenten zoals die rond 1800 klonken. Het bijgaande boekje geeft wel informatie, maar helaas niet de volledige tekst. Die is wel te vinden op de website van Naxos.

Persoonlijk
Het beluisteren van deze cd was voor mij de eerste kennismaking met de muziek van Paër, hoewel ik tijdens speurwerk naar (ik vermoed) Beethoven en Liszt zijn naam wel ben tegengekomen. Ik was verrast door de aangename, goed in het gehoor liggende muziek en door de kundigheid van de componist. Niet vernieuwend, eerder voortbordurend op een bestaande stijl die doet denken aan Mozart en Haydn, maar toch met een eigenheid die groot vakmanschap verraadt. Dit oratorium vormt een optimistisch getinte verrijking van het repertoire voor de Goede Week.

© Ellen von Holtz