aanrader cd mendelssohn psalm cantatas

Musicologe Ellen von Holtz over deze cd:

Beknopte biografie
Felix Mendelssohn (1809-1847) groeide op in een welgestelde bankiersfamilie in Berlijn, waar hij alle mogelijkheden kreeg zich op muzikaal gebeid te ontplooien. Zo had hij in zijn ouderlijk huis regelmatig de beschikking over een orkest, waarmee hij zich oefende in het dirigeren. Tijdens huisconcerten, de zogenaamde Sonntagsmusiken, werden composities van Felix en zijn zuster Fanny uitgevoerd  in het bijzijn van de culturele elite en de aristocratie van de stad. Tijdens reizen die het gezin ondernam, werden contacten met grootheden als Goethe gelegd en indrukken van cultuurcentra als Rome opgedaan. Reisindrukken verwerkte hij niet alleen in zijn muziek, maar ook in knappe aquarellen en tekeningen.
Tot Mendelssohns vroegste composities behoren zangspelen en twaalf symfonieën voor strijkers. Met het Octet opus 20 schiep hij 1825 zijn eerste meesterwerk. Het werk is volledig achtstemmig en daarmee een noviteit. Een jaar na dit verbijsterend rijpe werk van een zestienjarige volgde een ander meesterwerk: de Ouverture tot Ein Sommernachtstraum van Shakespeare.    
Felix Mendelssohn was een hardwerkend man. Hij was werkzaam als componist, pianist, organist en dirigent en was betrokken bij grote muziekfestivals in Duitsland en Engeland. In 1837 trad hij in het huwelijk met Cécile Jeanrenaud en in zeven jaar tijd werden vijf kinderen geboren. De verplichtingen, de reizen die hij voor zijn werk maakte en de zorg voor zijn familie, de onverwachte dood van zijn moeder in 1842 en met name die van Fanny in 1847, eisten hun tol. Uitgeput stierf hij op 38-jarige leeftijd. Hij liet een zeer uitgebreid oeuvre na waarin alle muziekgenres vertegenwoordigd zijn. Als bekendste werken gelden het Vioolconcert in e, opus 64, de Schotse en de Italiaanse Symfonie, zijn pianotrio’s, de Ouverture en toneelmuziek bij Ein Sommernachtstraum, de ouverture Die Hebriden, de Lieder ohne Worte en de oratoria Paulus en Elias.

Mendelssohns religieuze werken
De familie Mendelssohn was een Joodse familie. Vader Abraham Mendelssohn liet zijn gezin, toen Felix zeven jaar was, echter opnemen in de Lutherse kerk, waardoor het protestantisme en de teksten uit de bijbel een zeer belangrijke plaats in namen binnen het gezin. De teksten inspireerden de componist tot vele religieuze werken en tot zijn grote oratoria Paulus en Elias. Het slotdeel van zijn Tweede Symfonie, opus 52, “Lobgesang”, is in feite een complete cantate, gebaseerd op bekende koralen. Het schrijven van religieuze muziek was voor Felix een tweede natuur die voortkwam uit een diepere spiritualiteit.
De componist had veel ervaring met vocale werken en koren. Zelf was hij als jonge man lid geweest van een koorschool, de Berliner Singakademie, waar hij in 1843 zelf directeur werd. En nadat hij in 1823 of ’24 de partituur van Bachs Mattheus Passion van zijn grootmoeder cadeau had gekregen, zorgde hij ervoor dat dit werk in 1829 voor het eerst sinds het overlijden van Bach in 1750 weer werd uitgevoerd. Daarnaast had hij grote belangstelling voor Bachs cantates en voerde hij ook oratoria van Händel uit.
Hij schreef een groot aantal kortere werken voor koor of koor met orgel- of orkestbegeleiding, met of zonder solisten: cantates, motetten, hymnes, psalmen, de toonzetting van de liturgie voor de Duitse eredienst, een Magnificat en Nunc Dimitis, een Ave Maria, Laudate pueri, Verleih uns Frieden en het bekende Hör mein Bitten (Hear my prayer), een Te Deum voor het 1000-jarig bestaan van het Duitse Rijk, allemaal meesterwerken van harmonie en polyfonie binnen één stuk. Dat hij geen onderscheid maakte tussen Protestant, Katholiek of Anglicaans geeft aan dat hij met zijn verlichte geest zeer tolerant was.
Mendelssohns werken met een religieus karakter zijn helaas een beetje ondergesneeuwd en worden niet vaak meer uitgevoerd. Ten onrechte, want veel ervan zijn zeer de moeite waard. Gelukkig is een groot aantal nu weer te beluisteren op cd. Zoals de Complete Psalmcantates, onlangs heruitgebracht door Brilliant Classics.

De cd
De vijf Psalmcantates zijn, zoals de naam al aangeeft, uitgebreide composities, waarin een psalmtekst, naar voorbeeld van de cantates van Bach, uitgewerkt en verdeeld is  over passages voor koor en solisten. Uit deze werken blijkt hoezeer de componist bedreven is in het schrijven voor koor en vocale solisten en hoe hij ook de orkestpassages en begeleiding prachtig weet te instrumenteren. Het voert te ver om op alle details in te gaan, want hoe vaker ik de cd beluister, hoe meer ik er ontdek. Elk voor zich is een prachtig, groots muziekstuk, dat wanneer je er ook de tekst bij neemt, regelmatig kan ontroeren.
Psalm 42, “Wie der Hirsch schreit nach frischem Wasser”, opus 42 (1837), waar de cd mee begint, is met zeven delen meteen de meest uitgebreide. Ook de meest welluidende en Mendelssohns eigen favoriet. Hij begon eraan  te werken tijdens zijn huwelijksreis in het Zwarte Woud, en het werk ademt dan ook puur geluk en een diep geloof in het goede. Dit wordt prachtig weergegeven in het pastorale karakter van het openingsdeel met koor en groot orkest, maar ook in de aria voor sopraan en hobo-solo “Meine Seele dürstet nach Gott”, en de twee andere triomfantelijke koordelen waaruit dank spreekt, met feestelijke trompetten en pauken. De cantate eindigt met een grootse fuga. De muziek doet soms een beetje Händel-achtig aan (wat aan Wagner misprijzend de naam “Händelssohn” ontlokte) en de polyfonie van de stemmen is een eerbetoon aan Bach. Ook vinden we verwijzingen naar Mozarts latere missen en natuurlijk Mendelssohns eigen rusteloze romantische signatuur met motieven die we herkennen uit zijn symfonieën, de Sommernachttraum en het kerstlied Hark! The herald angels sing. Alles vormt een prachtige eenheid, het is muziek die als vanzelf loopt met heerlijke melodieën. 
De zetting van de devote, maar moeilijk te begrijpen psalm 95, “Komm, lasst uns anbeten”, opus 46 (1838-1841), kostte Mendelssohn veel moeite, getuige de herhaaldelijke revisies voordat hij het uit handen durfde te geven aan de uitgeverij. De muziek is ingetogen, donker, met de nodige dramatiek, maar als geheel is het nogal symfonisch, met veel volle koor- en orkestpassages en mist de soepelheid van de andere werken. Mooi als middelpunt is het duet van de twee sopranen.
Psalm 98, “Singet dem Herren ein neues Lied”, opus 91 (1843), is de kortste cantate en steekt met de eerste twee delen voor achtstemmig koor zonder begeleiding en de andere twee delen met vol orkest, niet zo regelmatig in elkaar. Toch is dit ook fantastische muziek. De achtstemmige polyfonie grijpt terug op de muziek van Palestrina, die Mendelssohn in Rome had gehoord. Marsachtige motieven, fugatisch inzetten, en weer een triomfantelijke Handelilaanse finale. Zoals ook Bach deed, vinden we tekstuitbeelding in de muziek: “Trompeten und Posaunen” klinken ook in het orkest, de harp begeleidt de lofzang op de goedertierenheid van de Heer en de “Wasserströme” zijn te horen in de tremolo’s in de strijkers.
Heel mooi ingetogen begint Psalm 114, “Da Israel aus Ägypten zog”, opus 51 (1839), een cantate voor dubbel koor en orkest, zonder solisten. We horen verderop de onrustige bewegingen van het water in de fagot en de strijkers, wat doet denken aan Die Moldau, die Smetana bijna veertig jaar later schreef. Dat de aarde voor de Heer beefde en dat de rotsen in het water stortten wordt gescandeerd en triomfantelijk getoonzet, ondersteund met koperblazers en pauken. Het ingetogen begin keert nog even terug, waarna het werk in een jubelende Hallelujah-fuga eindigt. Deze psalm beschrijft de Joodse uittocht uit Egypte, het Joodse Paasfeest. Het ligt voor de hand om de keuze van deze tekst aan Mendelssohns Joodse afstamming te wijden, zelf heeft hij daar echter nooit een verband mee gelegd. Het verwijst wel naar Händels oratoria Joshua en Israel in Egypt, die hij een jaar eerder had uitgevoerd.
“Nicht unserem Namen, Herr”, Psalm 115, waar de cd mee afsluit, is een hele vroege zetting voor koor, solisten en orkest, uit 1830, toen Mendelssohn op reis was door Italië en geïnspireerd was door de schilderijen van Rafael  en Titiaan. Waarschijnlijk was de oorspronkelijke versie op de Latijnse tekst Non nobis Domine, wat beter in overeenstemming is met de muziek, die gedragen, soepel en vaak teder klinkt, je zou het “bel canto” kunnen noemen, hoewel er geen zangtechnische hoogstandjes vereist zijn. Het is gewoon mooie muziek.

De uitvoering is in handen van het Chamber Choir of Europe en de Württembergische Philharmonie Reutlingen o.l.v. Nicol Matt. De solisten zijn Isabelle Müller-Cant en Petra Labitzke, sopraan, Daniel Sans en Gerhard Nennemann, tenor, Manfred Bittner en Christof Fischesser, bas. De originele opname dateert uit 2002, kort nadat het koor de tweede prijs in de wacht had gesleept op een van de belangrijkste koorcompetities in Europa, en is in 2013 opnieuw uitgebracht. 
Het koor, bestaand uit jonge, professioneel opgeleide zangers uit vele Europese landen, is van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Heel vitaal en met een goede balans, de teksten meestal goed verstaanbaar. De meeste solopartijen worden erg fraai vertolkt met heldere stemmen. De solisten hebben veel ervaring met solorollen in Bachcantates, oratoria en opera. Dirigent Nicol Matt heeft zich gespecialiseerd in het werken met koor en orkest en heeft daarmee een internationale reputatie opgebouwd. Ook het orkest laat zich als geheel én in de diverse klankgroepen en solopartijen prachtig horen. Dit alles dankzij de prachtige heldere opname.
Ik beveel deze opname van harte aan en hij steekt voor mij met kop en schouders uit boven een andere uitvoering van enkele van de psalmen, uit 1988 op Harmonia Mundi o.l.v. Philip Herreweghe, waar de romantiek afdruipt, die doorgaans een langzamer tempo heeft en waar de sopraansolist wel eens een laddertje nodig heeft om de hoogste noten te kunnen halen. Vroeger vond ik die al heel mooi, maar de muzikale opvatting en ook de smaak verandert met de jaren. Ik vermoed dat deze opname een grotere ‘eeuwigheidswaarde’ heeft.

© Ellen von Holtz