lezing of cursus middeleeuws Sicilië

de caleidoscopische twaalfde-eeuwse cultuur van Palermo 

  

Dertig jaar hadden de Normandische broers Roger en Robert Guiscard (†1085) nodig om het hele eiland Sicilië, toen onderdeel van de islamitische wereld, te veroveren. Steden waren moeilijk in te nemen én men had aan beide kanten te maken met onderling én intern gekonkel, overlopers en opstandelingen. In 1091 gaf het laatste moslim bolwerk zich over.

Tot zijn dood in 1101 bleef Roger I graaf van Sicilië. Hij regeerde vreedzaam en tolerant over zijn christelijke, Griekse en moslim onderdanen, propageerde de komst van immigran­ten uit Normandië en maakte geen aanstalten - zeer tegen de zin van de paus - om zijn moslim onderdanen tot het christendom te bekeren.

Na Roger's dood werd zijn vrouw Adelheid regentes tot haar zoon Roger II (†1154) daadwerkelijk zelf kon regeren (vanaf 1111). Roger II werd op kerstmis 1130 als koning gekroond in Palermo. Roger II breidde  zijn invloed verder uit naar Noord-Afrika waar alle kuststeden tribuut aan hem moesten betalen. Hij beschermde zijn moslim onderdanen, sprak Grieks en Arabisch, nam Arabische titels aan en liet zich omrin­gen door Arabische geleerden. In opdracht van hem schreef Idrisi (gestorven 1155) zijn De ontspanning van hem die verlangt verre landen te bereizen of kortweg Het boek van Roger waarin de toen bekende wereld werd beschreven.

Ruim een eeuw heersten de Normandiërs over een eiland dat zó centraal in de Middellandse Zee lag dat producten vanuit het noorden én het zuiden Sicilië bereikten.Toen Ibn Djubayr in 1184 op Sicilië was, meld­de hij dat de regeren­de koning Willem II (†1189) "groot ver­trouwen had" in de mos­lims en dat hij in veel opzich­ten het leven leidde van een mos­lim vorst. Ook be­schreef hij de "schitteren­de paleizen en fan­tasti­sche tuinen" in Pa­lermo en een kerk zó mooi dat hij niet in staat was zijn gevoelens onder woorden te brengen.
Zowel Willem II als zijn voorganger en vader Willem I (†1166) spraken Arabisch en verbleven het liefst in de beslotenheid van hun paleizen. Uit deze periode zijn enkele "pareltjes" - zo noemde Ibn Djubayr ze letterlijk - van paleizen bewaard gebleven: La Cuba, La Cubula, La Favara en La Zisa. Het waren ware lustoorden gelegen in tuinen, met bronnen en uitgestrekte vijvers.

Monu­menten uit de twaalfde eeuw, zoals de kathe­dralen van Ce­falù en Monreale, de Cappella PalatinaLa Martorana en palei­zen in Paler­mo, laten dui­delijk invloe­den zien uit de ro­maanseisla­mitische en Byzan­tijn­se werelden.
Naast deze monu­men­ten ook aan­dacht voor Arabische dichters die hun heimwee naar Sicilië in gedichten vereeuwig­den.