keizer constantijn

 

Constantijn de Grote
Traditie en verandering
redactie: Olivier Hekster & Corjo Jansen
Nijmegen: Vantilt, 2012
207 p., 10 kleuren ill.- ISBN 978-94-6004-096-2

 

Dit boek bundelt zeven artikelen waarin verschillende aspecten van Constantijn's keizerschap aan bod komen. In het eerste hoofdstuk Constantijn en de continuïteit van het kiezerschap (Olivier Hekster) wordt de traditionaliteit van Constantijn's keizerschap benadrukt. In Constantijn en het recht (Corko Jansen en Rick Verhagen) blijkt dat de keizer meestal bleef uitgaan van het klassieke Romeinse recht, maar er veranderde wel iets in de techniek van de wetgeving. "De juristen waren in de keizerlijke kanselarij op de terugtocht. In hun plaats kwamen loyale, retorisch goed geschoolde ambtenaren. Voor Constantijn was het recht een van de manieren om propaganda te bedrijven" (p.66) en de bloemrijke en overdadige formuleringen pasten blijkbaar bij deze keizerlijke ambitie. Conclusie van dit hoofdstuk: Constantijn bevond "zich als wetgever op het breukvlak van traditie en vernieuwing".

Het hoofdstuk Constantijn en het christendom (Peter Nissen) gaat in op de vraag of het gaat om de zondeval of triomf van het christendom. Al eeuwenlang wordt hierover gediscussieerd. Velen zien in het door de keizer gepropageerde en min of meer gestuurde christendom en later in het christendom als staatsreligie juist het einde (zondeval) van het échte christendom vanwege de te nauwe band tussen staat en kerk. De kerk zou hierdoor gehinderd zijn "in het verkondigen en naleven van haar oorspronkelijke boodschap: de keuze voor de armen, de navolging van Jezus in deemoed, de inzet voor vrede en gerechtigheid" (p.69). Ook wordt stil gestaan bij de vraag of Constantijn christen is geworden en zo ja, wanneer? In Constantijn als kerkenbouwer (Sible de Blaauw) concludeert de auteur na het beschrijven  van Constantijn's bemoeienissen met de kerkarchitectuur in Rome en elders dat "zowel de introductie van de centraalbouw als de creatie van de kerkbasilica ... een product van directe keizerlijke interventie" waren (p.96).

            In het vijfde en zes hoofdstuk - Constantijn en de kunsten (Eric Moormann) en Constantijn en de literatuur (Vincent Hunink) - constateren beide auteurs dat er geen scherp breuklijn te zien is tussen de perioden van voor en na 313, wel veranderingen. Ook (Constantijn en) de monumentalisering van Constantinopel (Paul Stephenson) - Constantijn's eigen stad - laat duidelijk zien dat ook hierin traditionele, dus 'klassieke' elementen werden aangebracht, zoals in de 'aankleding' van het hippodroom waarvoor het Circus Maximus in Rome in letterlijke en figuurlijke zin model stond.

In de slotbeschouwing schrijven concluderend de redacteuren dat de veranderingen van Constantijn "nog in langlopende tradities" te plaatsen zijn. "De regeerperiode van Constantijn was minder een revolutie dan een creatief gestuurde evolutie. De grootste verandering onder Constantijn was de manier waarop verschillende tradities bijeen werden gebracht en werden gepresenteerd. MIsschien is verandering door middel van traditie de beste omschrijving van de regeerperiode van Constantijn de Grote" (p.160).

Als bijlage nog de Nederlandse vertaling door Vincent Hunink van het gedicht Laus Domini (Lof van de heer). Tussen 317 en 323 dichtte een anonymus uit Gallië dit lofdicht op God en Constantijn. Aanleiding was een wonder dat in Bourgondië plaats gevonden had. Het is het "oudst bewaarde voorbeeld van reguliere vroegchristelijke Latijnse poëzie" (p.162) dat ook nog eens veel vragen oproept. Daarna volgen de noten, uitgebreide bibliografie en een alfabetische index.

Samen met de Nederlandse vertaling van Eusebius' Vita Constantini is deze bundel een uitstekende introductie voor de intrigerende periode van begin vierde eeuw toen (onbewust) de weg naar een monotheïstisch staatreligie werd ingeslagen.

Kortom, aanrader!

 © conens & van wiechen drs A. van Wiechen