... De verre horizon trilt van de warmte en een vaag silhouet tekent zich af. De middeleeuwse reiziger, uitgeput door een lange reisdag, vreest opnieuw een fata morgana. Hij knippert met de ogen, maar het silhouet blijft. De muildieren, paarden en zwaarbeladen kamelen stappen gestaag verder. Langzaam maar zeker krijgt het silhouet meer vorm, robuuste vormen. Het lijkt wel een fort. Maar de reiziger weet beter; hij heeft eindelijk de gastvrije karavanserai bereikt. De enige ingangspoort staat uitnodigend open, hij stijgt af. Zijn bedienden en de jongens van de karavanserai bekommeren zich om lastdieren en koopwaar. De reiziger is even 'thuis'. Hij zoekt een plekje binnen de veilige muren, verfrist zich in de hamam (bad), maakt kennis met andere reizigers en handelaren en misschien herkent hij onverwacht ook een paar oude bekenden. Het laatste nieuws wordt doorverteld, er wordt gehandeld, gegeten en ongetwijfeld geluisterd naar locale muzikanten of rondtrekkende spannende-verhalen-vertellers. Bij zonsondergang gaat de enige ingangspoort van de karavanserai dicht. Het kleine moskeetje op de grote open hof biedt de mogelijkheid de gebeden te verrichten. In een hoekje wordt het laatste menigsverschil uitgepraat of zijn nog muziekflarden te horen van de rietfluit, door een tijdgenoot de 'vriend van verlatenen' genoemd ... alleen het gesnuif van de dieren blijft. Iedereen rust, want morgen is er weer een reisdag en bij zonsopgang zal de karavanserai-poort weer open gaan ....

Zo ongeveer moet het zijn geweest, bijna zevenhonderd jaar geleden in hartje Turkije.

In Turkije zijn naast religieuze gebouwen, zoals moskeeën, prachtige voorbeelden van middeleeuwse 'motels' bewaard gebleven. Vooral gebouwd in de dertiende eeuw boden deze karavanserais aan reizigers gratis een veilig onderkomen.

Toen de Seldsjoeken van Rum in begin dertiende eeuw Anatolië goed onder controle hadden, deden zij er alles aan om de handel te bevorderen. Wegen werden aangelegd of verbeterd en bruggen gebouwd. Enkele van die Seldsjoekse bruggen, soms op Romeinse fundamenten, zijn nu nog steeds in het Turkse landschap te zien. Een goede infrastructuur was belangrijk, maar veiligheid op de weg was natuurlijk ook essentieel.

Vandaar dat de Seldsjoekse sultan zelf karavanserais liet bouwen waar reizigers en handelaren een veilig onderdak vonden. Ze werden gebouwd op één dagreis afstand van elkaar (ongeveer 30 à 40 km). Als handelaren onderweg toch onverhoopt door struikrovers waren overvallen, kregen ze in de karavanserais naast veiligheid en verzorging ook een schadevergoeding voor hun geroofde handelswaar uitbetaald.
Het bouwen van dit soort openbare ruimten was een vrome daad van algemeen belang. Uit opschriften weten we dat behalve de sultan ook andere moslims - mannen én vrouwen - zo'n karavanserai lieten bouwen: een legeraanvoerder, enkele vizieren, een handelaar, een arts en de vrouw van de sultan.

Langs de belangrijkste handelswegen werden ze vooral gebouwd aan de noord-zuid wegen die de havens aan de Zwarte Zee verbonden met die aan de Middellandse Zeekust, van Samsun naar Antalya en Alanya via de steden Sivas, Kayseri en de Seldsjoekse hoofdstad Konya. Men handelde is alles en nog wat, van slaven tot vijgen, van paarden tot tapijten. De havens Antalya en Alanya waren belangrijk, want van hieruit ging de handelswaar verder, naar Egypte, Cyprus of Italië. De Seldsjoekse scheepswerf in Alanya, waar schepen uit zee op het droge werden getrokken voor reparaties, is nog te zien.

Er moeten in de dertiende eeuw aan de handelswegen in Anatolie zeker zo'n tweehonderd karavanserais hebben gestaan. Na zeven eeuwen is ongeveer de helft hiervan nog enigszins intact bewaard gebleven. Van de rest zijn nog alleen brokken steen of fundamenten over of alleen herinneringen op 'papier', in reisbeschrijvingen, archiefstukken of als echo in de huidige plaatsnaam van een dorp waarin het woord han nog voorkomt.

Hoe verschillend de plattegronden ook waren, omdat karavanserais primair reizigers bescherming moesten bieden, hadden ze allemaal dikke muren en slechts één ingang. Iedereen was welkom, maar je moest wel op tijd binnen zijn; die ene deur ging met zonsondergang dicht en pas bij zonsopgang weer open.

In alle karavanserais waren ook overdekte ruimten, zodat de reiziger en zijn dieren - ezels, paarden en kamelen - beschut tegen weer, wind en sneeuw de nacht redelijk comfortabel konden doorbrengen. Zoals wij nu een grote variatie aan hotels kennen - van eenvoudig tot super-de-luxe - zo gold hetzelfde voor de dertiende-eeuwse karavanserais. Kleine onderkomens boden de reiziger het meest noodzakelijke, maar grotere 'staatsherbergen' waren voorzien van waterleiding, baden, ovens, fonteinen, moskeetje, bibliotheek. Daar kwamen ongetwijfeld ook muzikanten en de spannende-verhalen-vertellers langs!

Mens en dier sliepen - zeker in de winter - bij elkaar in één grote ruimte, waarbij de reiziger het zich comfortabel kon maken op een verhoogd platform. Een Europeaan beschreef hoe het er aan toeging in de zestiende eeuw, maar het zal voor de dertiende eeuw niet anders zijn geweest. Het gesnuif van de dieren was altijd hoorbaar en tijdens het eten kregen ook de dieren hun hooi, een restje brood of stukje appel. Aan het zadel hadden de reizigers altijd een kleedje bevestigd en als ze gingen slapen rolden ze dat uit, het zadel diende als hoofdkussen en hun met bont gevoerde mantel als deken. Wat deze westerling zo verschrikkelijk vond was dat alles zich in de openbaarheid afspeelde. Geen privacy. Omdat hij 'anders' was en 'andere' gewoonten erop na hield, keken zijn Turkse mede-'hotel'gasten steeds naar hem en dat vond hij zeer onplezierig.

In de zomer kon je in ieder geval verkoeling zoeken en slapen op de platte daken of in ruimten die direct aan de open hof lagen. Dat gold zeker voor de grote karavanserais, zoals de twee Sultan Han's die gebouwd werden in opdracht van sultan Kay Qubad I rond 1230. De ene Sultan Han ligt iets ten noorden van Kayseri aan de weg naar Sivas en de andere bij Aksaray, ongeveer halverwege de weg van Konya naar Kayseri.
Van buiten lijken deze bouwwerken wel een vesting met één ingangsportaal. Afgezien van een paar regenwater-spugers in de vorm van leeuwenkoppen is alle decoratie geconcentreerd op dat portaal. Ingenieuze geometrische patronen, gevlochten sterren, opschriften met Arabische letters, blad-en-bloem-motieven, muqarnas .... grote bekoring gaat uit van deze perfect in steen vormgegeven portalen, die letterlijk de reiziger naar zich 'toetrekken'.

Eenmaal binnen sta je in een grote open hof, met middenin een vierkant moskeetje gebouwd op vier bogen waaronder een fontein. De versiering van de vier bogen is betoverend. De mooie hartvormige decoratieve slangenlijn eindigt op het hoogste punt van de bogen in twee draakjes. Met hun wijdopengesperde bek gapen ze elkaar letterlijk aan; een symbool om kwaad af te weren en een herinnering uit het oosten, waar de Turkse Seldsjoeken oorspronkelijk vandaan kwamen.

Rond drie zijden van de open hof zijn extra voorzieningen voor de reiziger aangebracht, o.a. badgebouw en privé-ruimten. In de vierde zijde is de rijkversierde ingangsportaal tot de zgn. winterzaal; een enorme zaal met stenen, tongewelven die rusten op pijlers. Vaak is er in het verhoogde middenschip één koepel op een tamboer met vensters voor licht en lucht. Soms zijn nog resten bewaard gebleven van het verhoogde platform waarop de reiziger zich te ruste kon leggen.

Elke karavanserai heeft wel een leuk, bijzonder detail: een console in de vorm van een leeuwenkop om je olielampje op te zetten, een mooi afgewerkt stenen nisje bij de ingang, een versiering met wit-zwart natuursteen, een perfect vlechtwerk in een rond medaillon of een oud Romeins grafreliëf dat bij de bouw werd hergebruikt.

... De enige ingangspoort staat uitnodigend open. De reiziger is even 'thuis'. Hij zoekt een plekje binnen de veilige muren, verfrist zich in de hamam (bad), maakt kennis met andere reizigers en handelaren en misschien herkent hij onverwacht ook een paar oude bekenden. Het laatste nieuws wordt doorverteld, er wordt gehandeld, gegeten en ongetwijfeld geluisterd naar locale muzikanten of rondtrekkende spannende-verhalen-vertellers. Bij zonsondergang gaat de enige ingangspoort van de karavanserai dicht. In een hoekje wordt het laatste menigsverschil uitgepraat of zijn nog muziekflarden te horen van de rietfluit, door een tijdgenoot de 'vriend van verlatenen' genoemd ... alleen het gesnuif van de dieren blijft. Iedereen rust, want morgen is er weer een reisdag en bij zonsopgang zal de karavanserai-poort weer open gaan ....

In de dertiende eeuw waren deze karavanserais een noodzaak voor de reiziger, nu zijn het grootse monumenten, een herinnering aan het middeleeuwse verleden.