De koning van India sprak tot zijn wijze filosoof:
"Vertel me een verhaal waaruit blijkt dat vriendschap en vertrouwen tussen mensen van verschillende kom-af voor iedereen profijtelijk is."
"Inderdaad," antwoordde de filosoof, "vriendschap is een waardevol goed zoals blijkt uit het verhaal van de duif, de muis, de kraai, de schildpad en de gazelle."
"Vertel!" beval de koning.

In een dichtbegroeid bos zat eens de nieuwsgierige kraai Ibn al-Aagje op een tak te dromen toen hij een jager aan zag komen. Dat de jager weinig goeds in de zin had was hem wel duidelijk; een valse lach sierde zijn boeventronie en hij droeg vangnetten op zijn schouders.
"Die jager is niet voor niets hier in het bos gekomen. Maar komt hij om mij kwaad te berokkenen of een ander dier? We zullen het afwachten," dacht Ibn al-Aagje bij zichzelf.
De jager spande zijn net, gooide er graankorrels in en verschool zich achter een boom. Geklap van vleugels kondigde de komst van duiven aan. Ze zagen de graankorrels maar niet het vangnet en vlogen zo hun ondergang tegemoet. Toen de duiven in de gaten kregen dat ze gevangen waren, brak er wilde paniek uit.
Ieder probeerde een andere kant uit te fladderen tot hun leider - die vanwege zijn mooie heldere halsveren Kraagje werd genoemd - het woord nam en alle duiven beval eensgezind te zijn en samen één kant op te vliegen. Ibn al-Aagje zag vol verbazing vanaf zijn tak hoe de duiven gehoorzaamden en mét net en al wegvlogen. De jager sprong te voorschijn, rende zo snel mogelijk achter de duiven aan tot hij niet meer kon en amechtig hijgend de achtervolging moest staken.
In de lucht volgde Ibn al-Aagje de duiven op een afstandje omdat hij graag de afloop van deze reddingsvlucht wilde gadeslaan. Kraagje beval zijn duiven rustig in een boomrijk gebied te landen en riep toen hard: "Zirak, Zirak, kom me helpen."
"Wie is daar?" vroeg de muis Zirak uit één van zijn vele holletjes die hij in het bos had gegraven om zijn eventuele vijanden te misleiden. In één oogopslag had Zirak - die niet voor niets de bijnaam de Slimme had - de situatie door en begon het net voor zijn vriend Kraagje door te knagen. Maar Kraagje wilde als een kapitein op een schip pas als laatste bevrijd worden.
"Want als je het net eerst aan mijn kant doorkauwt, ben ik bang dat je geen fut meer hebt de anderen te bevrijden. Maar als ik - jouw vriend - pas als laatste aan de beurt ben, zal je alles op alles zetten om alle duiven te bevrijden," redeneerde Kraagje.
Zirak knaagde en knaagde en knaagde .... en uiteindelijk waren alle duiven vrij. Dankbaar namen ze afscheid van Zirak.

Ibn al-Aagje had dit allemaal met verbazing bekeken en verlangde hevig naar een vriendschap zoals die tussen Kraagje en Zirak. Hij vloog naar het holletje waarin hij Zirak had zien verdwijnen en schreeuwde zo hard hij kon: "Zirak, Zirak, rrrrrak!"
De muis herkende deze stem niet en kwam niet tevoorschijn, maar vroeg: "Wie wil me spreken?"
"Ik," zei de kraai en voegde er direct aan toe, "ik wil graag vriendje met je worden!"
"Ja, ja, dát heb ik meer gehoord," schampte Zirak, "een kraai en een muis vrienden! Je hebt me zeker voor vanavond op je menu gezet!"
Ibn al-Aagje begreep de argwaan en probeerde Zirak uit te leggen dat hij alleen vriendschap nastreefde; immers vriendschap is iets veel groters dan eenmalig een miezerig muizehapje voor het avondeten. Na veel heen-en-weer gepraat raakte Zirak overtuigd van Ibn al-Aagje's goede bedoelingen.

Ze bleven bij elkaar wonen - Zirak in zijn hol tussen de boomwortels en kraai ín de boom - en elke dag werd hun vriendschap warmer. Maar omdat het voorjaar werd en steeds meer luidruchtige mensen de bossen onveilig maakten, besloten de vrienden hun bomen te verlaten en hun heil elders te zoeken.
"Ik weet een prachtig gebied waar mijn oude vriendin Schildpad leeft, laat ons daar naar toe gaan!" stelde Ibn al-Aagje voor.
"Maar hoe kan ik dat eind overbruggen?" vroeg Zirak.
"Geen probleem," antwoordde de kraai, pakte de muis bij zijn staart en vloog hem naar rustiger oorden. Na de eerste schrik genoot Zirak van zijn luchtdoop en zag de wereld zoals hij die nog nooit gezien had: bomen wuivend in de wind, vogels in de lucht en wolken als katoenpluizen zo licht.
Na enkele uren landde kraai bij een klein meertje. Schildpad die een maf vliegbeest in de lucht zag - zouden fabeldieren dan toch écht bestaan ? - was angstig in het water gedoken, maar op het vertrouwde stemgeluid van Ibn al-Aagje stak ze haar kop boven de waterspiegel uit en vol vreugde begroette ze haar vriend.
"Jouw vriend is ook mijn vriend," zei ze toen de kraai zijn verhaal had verteld. Schildpad ompootte de muis met zo'n enthousiasme dat Zirak zich amper staande kon houden.
 
Zó begon hun leven in harmonie en saamhorigheid. Niemand verstoorde hun rust en ze vertelden elkaar prachtige verhalen over vroeger en over de verre, boze wereld.
Op een dag hoorden ze een onbekend gehijg. Schildpad dook in het water, Zirak sprong zijn hol in en Ibn al-Aagje vloog naar zijn loer-tak. Hij zag een verrukkelijk mooie, jonge gazelle aan komen rennen alsof de duivel haar op de hoeven zat. Maar van de achtervolger was geen spoor te bekennen. Dus toen de gazelle hijgend in haast probeerde wat water te drinken, zei de kraai dat ze nergens bang voor hoefde te zijn want er was hier niemand meer die haar kwaad zou berokkenen. Toen ze wat gedronken had en tot rust gekomen was, stelden de drie vrienden zich aan de gazelle voor. Op haar beurt vertelde de gazelle dat ze Grazia - voor jullie: Grasje! - heette en dat ze op de vlucht was voor een gemene jagersbende.
"Over dat soort mensen hoef je je hier niet bezorgd te maken," vertelde Schildpad, "ik heb dat kanalje gelukkig hier nog nooit gezien." 
 
En zo leefden de vier vrienden vreedzaam met elkaar. Elke dag deelden ze hun maaltijd en vertelden elkaar de mooiste verhalen en dierenfabels.
Eens was Grasje niet op de afgesproken tijd aanwezig en toen ze er na een uur nog niet was, maakten de drie vrienden zich grote zorgen. Ibn al-Aagje vloog uit om poolshoogte te gaan nemen.
Na enkele vliegmijlen zag hij Grasje op de grond liggen verstrikt in een jagersnet. De kraai sprak haar moed in en zei dat hij direct Zirak zou halen om het net door te knagen. Toen Ibn al-Aagje zijn vrienden op de hoogte had gebracht, haastten zij zich alle drie naar onfortuinlijke Grasje. Toen Schildpad hijgend en kuchend op de plaats des onheils aankwam, was Grasje al bijna bevrijd.

"Je had beter niet kunnen komen," zei de gazelle, "want stel je voor dat de jager onverwacht terugkomt als ik bevrijd ben: Ibn al-Aagje kan wegvliegen, Zirak kan zó tussen de boomwortels een hol vinden en ik kan wegrennen. Maar jij bent een stuk langzamer en de jager zou jou wel eens kunnen pakken."
"Lieve Grasje," antwoordde Schildpad, "weet wel dat het leven weinig voorstelt als je gescheiden bent van je vrienden en je niet weet wat hen overkomt!"
Schildpad had nog maar net zijn laatste woord gesproken of de jager kwam eraan. Grasje had - helaas - profetische woorden gesproken: Schildpad werd gepakt en door de jager op een stok vastgebonden. De jager die verbaasd was dat het lekkere gazelle-hapje zich had weten te bevrijden, nam nu maar genoegen met een soepschildpad.
De drie vrienden bleven niet bij de pakken neerzitten en Zirak stelde een snelle redding voor.
"Grasje, ga jij op het pad dat de jager neemt op de grond liggen en doe alsof je gewond bent. Ibn al-Aagje gaat op je zitten en doet alsof hij aast. De jager zal Grasje mee naar huis willen nemen. Hij zal zijn stok met de gebonden Schildpad even neerleggen en als hij bij jou komt, Grasje, ga direct op je poten staan en vlucht weg. Niet té snel, want de jager moet achter je aan gaan rennen. Ren zo ver als je kan, weg van de plaats waar Schildpad ligt. Intussen zal ik de touwen doorknagen en wegvluchten met Schildpad," aldus de slimme muis.
Iedereen vond het een fantastisch plan en alles verliep uitstekend.
Toen de jager de gazelle niet kon pakken, ging hij teleurgesteld terug naar zijn eerdere buit. Maar op de plek aangekomen waar hij de schildpad had achtergelaten vond hij slechts raffelige touwen.
"Eerst de gazelle, nu ook nog de schildpad verdwenen! Dat is werk van geesten, van djinns, van tovenaars!" dacht de jager en rende in paniek het bos uit.
Sindsdien durfde niemand nog in dat gebied te jagen of te verpozen! 
 
"En de vier vrienden leefden nog lang en gelukkig," eindigde de filosoof.

De koning vond het een mooi verhaal en glom van genoegen; het smaakte naar meer ....... 
 
Dit is slechts één van de vele, verrukkelijke verhalen uit Het Boek van Kalila & Dimna.  
Wij laten U graag nader kennis maken met de vriendelijke woestijnvos Kalila en zijn broer Dimna, die alles naar zijn hand wil zetten, iedereen probeert te manipuleren en constant op eigen gewin uit is.
Laat U verrassen door de verhalen uit Kalila & Dimna en door de schitterende miniaturen uit dertiende- en veertiende-eeuwse Perzische en Arabische handschriften.

De vorstenspiegel Kalila & Dimna was oorspronkelijk in het Sanskrit geschreven en op bevel van de Sassanidische koning Chosroës in het Pehlevi vertaald. Ibn al-Muqaffa vertaalde (en bewerkte) deze tekst in het Arabisch. Vooral via deze en latere Arabische en Perzische bewerkingen kreeg Het Boek van Kalila & Dimna een zeer grote verspreiding. Overal werd het boek populair en verschenen er talrijke bewerkingen en vertalingen: van het Syrisch tot het IJslands, van het Hebreeuws tot het Turks, van het zeventiende-eeuwse Nederlands tot het modern Perzisch ....