aanrader: pelgrimage van het heilig land

 

Dit is de pelgrimage van het Heilig Land en daaromtrent
Bloemlezing uit de reisverslagen van de Jeruzalemgangers
uit de Nederlanden 1450-1650
geschreven door Ben Wasser
Hilversum: Verloren, 2014
serie: Middeleeuwse studies en bronnen cxliv
241p., ill.- ISBN 978-90-8704-422-0 · € 27

 

Een "groet geleert doctoer ende priester" behoorde tot het gevolg van hertog Arent van Gelre en Gulik en graaf van Zutphen, toen deze op 28 oktober 1450 met zijn pelgrimage begon. Op 17 november 1657 vertrok Assuer Schimmelpenninck voor een tocht naar Jeruzalem. Ruim een jaar later was hij terug. Het verslag van de priester is het oudste, dat van Assuer het jongste van de in totaal twintig pelgrimsverslagen die Wasser in dit boek aanhaalt. Het bekendste reisverslag is dat van Joos van Ghistele (1481). Na een inleiding over de pelgrimage naar het Heilig Land en pelgrimsverslagen in het algemeen volgen twaalf hoofdstukken waarin steeds een onderdeel van de reis onder de loep wordt genomen.

In hfst. II volgt de lezer de weg van huis naar Venetië, de havenstad waar men zich inscheepte om richting Jeruzalem te varen. Het oponthoud aldaar wordt besproken in hfst. III. Na een korte inleiding geeft Wasser in elk hoofdstuk de - in het modern Nederlands vertaalde - meeste veelzeggende of markantste fragmenten uit verschillende verslagen. Uiteraard geeft hij daarbij duidelijk aan door wie en wanneer het verslag werd geschreven. In de aangehaalde woorden lees je wat de schrijver het meeste bezighield of voor ogen had tijdens het schrijven: de bijna saaie opsomming van plaatsen onderweg, het nauwkeurig noteren van het aantal afgelegde mijlen, het vermelden van wisselkoersen, van bezochte relieken of van het aantal aflaten dat verkregen werd. De pelgrimsverslagen waren zeker niet bedoeld als persoonlijke en emotionele ego-documenten – zoals dat tegenwoordig wél vaak het geval is –, maar hij zijn verslagen om anderen inlichtingen te verschaffen, om als schoolboek te worden gebruikt of om de lezer te laten delen in de bezienswaardigheden of in de devoties onderweg (welke heilige waar en hoeveel aflaten ed.).

Over zijn verblijf in Venetië – bijvoorbeeld – schreef Arent Willems, barbier uit Delft, dat hij het ghetto bezocht en ook naar het Tehuis voor Vondelingen was geweest waar dat jaar al 4000 kinderen waren opgenomen. Hij memoreede de stenen trog vóór het gebouw waarin de babies te vondeling werden gelegd en meldde: "deze hele instelling maakte trouwens een vreemde indruk" om direct daarop te laten volgen "ten tijde van ons bezoek waren er in Venetië wel elfduizend publieke vrouwen. En zo nog veel meer vreemde zaken" (p.37). Adriaen de Vlaming (1565), raadsheer te Dordrecht, zag de glasblazers op Murano en bewonderde aldaar "een kasteel .... dat helemaal van glas is gemaakt" en zelfs een orgel met glazen pijpen. Dat je in Venetië goed moest opletten bij het onderhandelen met de kapitein en het inslaan van voorraad voor onderweg, wordt duidelijk in hfst. IV met goede en praktische pelgrimsraadgevingen: "als gij aan verstopping lijdt en geen stoelgang hebt, neem dan van dit hierna beschrevene des morgens vroeg een lepel vol en vast daarna tot in de middag" (p.45).

In hfst. V & VI worden de overtocht naar Jaffa (via welke eilanden) en de aankomst aldaar – met alle formaliteiten en reglementen – besproken. Ook kregen de pelgrims in Jaffa te horen wat ze wél en vooral niet mochten doen, zoals het alléén op pad gaan. Daarna – soms na lang wachten – kwamen de pelgrims eindelijk in Jeruzalem aan (hfst. VII), waar hun voeten werden gewassen, waar ze langs de heilige plaatsen werden rondgeleid en de nacht doorbrachten in de Heilige Grafkerk. Arent Willems (1525): "Daarom beveel ik deze Heilige Plaatsen in het bijzonder aan in de interesse van allen, edele en onedele heren, mannen en vrouwen, want hier wordt iemand diep geroerd in zijn hart" (p.83). 

Hfst. VIII behandelt de overige pelgrimages in het Heilig Land, Hebron en Galilea. In het volgende drie hoofdstukken reist de lezer mee naar de pelgrimssteden in Syrië (Damascus) en Egypte en naar het Catharina-klooster op de berg Sinaï. Enkele pelgrimreizigers trokken verder, door Arabië en Perzië, soms op zoek naar het mysterieuze – en niet bestaande – Pape-Jansland (hfst. XII). In het laatste hoofdstuk (XIII) komen de pelgrims weer thuis. Toen pater Jan van der Linden (1633) weer in 'zijn' Antwerpen terug was werd een plechtige hoogmis opgedragen en een Te Deum gezongen.

Op de laatste pagina's (p.231-240) worden in chronologische volgorde de Jeruzalemgangers kort geïntroduceerd en hun reisverslagen bibliografisch behandeld. Op de laatste pagina (p.241) een zeer korte, algemene Jeruzalem-pelgrimage-bibliografie.

Na het lezen van dit boek blijf je als 21ste-eeuwer achter in verwondering en met vragen. Wat had een mens toen er wel niet voor over om de in zijn ogen 'heilige' plaatsen te bezoeken en aan te raken? Hij reisde door vaak gevaarlijke landen van de 'ongelovigen', had te maken met gewoonten en eigenaardigheden van Turken, Arabieren, Mamelukken en andere groepen, werd soms als spion in de kerker opgesloten en was afhankelijk van (on)eerlijke geloofsgenoten, tolken en janitsaren. En dan kwamen de schrijvers van deze pelgrimsverslagen nog terug thuis. Tussen de regels door lezen we dat minder gelukkigen ziek werden, onderweg stierven en ter plekke werden begraven. Feiten & fictie lopen in de pelgrimsverslagen door elkaar. De ene schrijver is kritischer dan de ander, maar allen lijken een sterk en vooral groot geloof en doorzettingsvermogen te hebben gehad.

De beschrijvingen geven ook een schitterend veelkleurig beeld van de pelgrimage, van de legenden én de praktische problemen onderweg, Intrigerend vond ik ook sommige opmerkingen van de pelgrims, zoals van Geert Kuynretorff (1520), kapelaan te Kampen, die in de moskee van Rama een beeld van Mohammed zag staan. Of Schimmelpenninck (1656) die de ruïnes van Baalbek met de mooie tuinen er rondom niet vond onderdoen voor Italië of Joos van Ghistele (1481) die meende dat een hellenistische graftoren ten westen van Alexandrië de plek was waar Blanchefloer was opgesloten en benaderd werd door haar geliefde Floris.

Ik heb het boek met veel plezier gelezen.
Vooral omdat nu ook eens wat minder bekende pelgrims aan het woord komen.
Kortom, dit boek is een verrijking van de Jeruzalem-pelgrimsliteratuur!