De ruïnes van Hattusa (huidige Turkije) zijn overweldigend van omvang en liggen verspreid over een oppervlakte van ruim 2 bij 1 km. Het noordelijke gedeelte van de stad wordt 'Beneden-Stad' genoemd, omdat het lager ligt dan het zuidelijke deel, de 'Boven-Stad'. De gehele stad werd met een ruim 6 km lange ommuring beschermd.

Bronnen, vruchtbare grond en bosrijke omgeving maakten het leven in Hattusa goed mogelijk en de Hettieten waren dan ook niet de eerste bewoners van deze gunstige plek. Al achtduizend jaar geleden woonden hier af en toe mensen, zo blijkt uit archeologisch onderzoek. Voordat de Hettieten tegen het eind van het derde millennium vóór onze jaartelling, in kleine groepen Anatolië binnentrokken, hadden de autochtone Hatti hier ook al een nederzetting. De Hettieten namen langzaam maar zeker de touwtjes in handen en waren in staat zich steeds meer macht en gebied toe te eigenen. De Hettitische koning Hattusili I (zeventiende eeuw vC) maakte Hattusa - centraal gelegen in zijn rijk - tot koninklijke residentie en hoofdstad. Driehonderd jaar later werd de stad door noordelijke vijanden van de Hettieten geplunderd en in brand gestoken, maar Hattusa werd grootser herbouwd: tempels, paleizen, straten, waterreservoirs, enorme onderaardse graansilo's en voorraadruimten, huizen, stevige stadsmuren met poorten. De Hettieten veroverden naar het zuiden en westen toe steeds meer gebied, maar Hattusa bleef - met een korte onderbreking - de hoofdstad, tot kort na 1200 vC toen de stad tegelijkertijd met het rijk der Hettieten te gronde ging.

Een verheven rotsplateau in Hattusa -  nu Büyükkale ofwel Grote Burcht genoemd - was de ideale locatie voor het koninklijk paleis omdat het gemakkelijk met extra muren beschermd kon worden. Hier woonden en werkten de koninklijke familie, belangrijke hofdignitarissen en lijfwachten. Daar waar wij nu moeizaam de stenen trap moeten oplopen om deze koninklijke citadel te bezoeken, hadden de koning en koningin het 33 eeuwen geleden heel wat makkelijker. Een viaduct maakte het hen mogelijk om per tweewieler - d.w.z. een door paarden getrokken wagen met twee wielen - van de citadel naar de Boven-Stad te rijden en vice versa!
De stenen fundamenten van de paleizen, ontvangsthallen, open hoven, keukens, waterreservoirs en voorraadruimten zijn nog te zien. Vloeren en straten waren keurig geplaveid en er zijn resten van watergoten teruggevonden. De muren, opgetrokken van vergankelijke leemtichels en houten balken, waren hier en daar voorzien van kleurrijke schilderingen, maar de miniscule fragmentjes laten een reconstructie van de afbeeldingen (nog) niet toe. Hier en daar stonden stenen beelden van stieren en leeuwen opgesteld. 
Het is niet mogelijk met zekerheid de functie van alle paleisruimten te achterhalen.

Daar waar bijna driehonderd kleizegels werden gevonden, kan men denken aan voorraadruimten. En de gebouwen vol fragmenten van honderden kleitabletten fungeerden mogelijk als koninklijk archief of bibliotheek. De kleitabletten lagen op houten planken en bij de laatste, verwoestende brand stortten de kleitabletten naar beneden en werden - als in een oven - gebrand, zodat ze geconserveerd werden. De inhoud van de teksten was zo veelzijdig als het leven zelf: allerlei administratieve, juridische, economische en religieuze zaken werden beschreven, wetten en gebeden vastgelegd, mythen gekopieerd en verdragsteksten geformuleerd.
Omdat in de Boven-Stad van Hattusa tot nu toe de fundamenten zijn blootgelegd van maar liefst dertig kleine en grote tempels, lijkt in ieder geval een groot deel van deze Boven-Stad primair een religieus centrumte zijn geweest. Pas aan het einde van de dertiende eeuw vC, toen onzekere tijden aanbraken en de onveiligheid buiten de stad groter werd, hebben mensen tussen de godentempels en binnen de stevige stadsmuren bescherming gezocht en ook in dit deel van Hattusa huizen gebouwd.

Vooral de verdedigingswerken in het zuiden zijn schitterend bewaard gebleven. Een 250m lange en 80m brede aarden wal, die aan de buitenkant 30m hoog was, werd vakkundig met stenen bekleed. Op het hoogste punt gaf de Sfinxpoort toegang tot de stad. Om daar te komen moest de bezoeker dan wel eerst steile trappen opgaan. Pal onder deze Sfinxpoort was in de dikte van de aarden wal een onderaardse, ruim 80m lange tunnel aangelegd. Misschien was deze tunnel in vredestijd in gebruik als voetgangersdoorsteek, zodat je niet die steile trap naar de Sfinxpoort hoefde te beklimmen. Bood deze gang bij belegering van de stad in oorlogstijd de mogelijkheid een verrassingsuitval te doen? Of had de tunnel een functie bij religieuze processies? Vragen, maar nog geen definitieve antwoorden.

In de ommuring van de Boven -tad zijn drie poorten genoemd naar hun stenen 'bewakers': de Leeuwenpoort in het zuidwesten, de eerder genoemde Sfinxpoort pal in het zuiden en de Koningspoort in het zuidoosten (hoewel bij deze laatste poort de afgebeelde 'koning' tegenwoordig over het algemeen geïnterpreteerd wordt als god). Vooral de twee levensgrote leeuwen zijn zo minitieus gebeeldhouwd dat de haarvlokjes nu nog te zien zijn. Elke poort bestond uit twee doorgangen achter elkaar die elk afgesloten werden met - niet bewaarde - dikke houten deuren. In de zijmuren zijn nog de gaten te zien waarin de koperen sluitstangen rustten. In een instructietekst beval de Hettitische koning aan de burgemeester van Hattusa de poorten elke avond te sluiten en te verzegelen. Pas na controle van het zegel mocht de poort 's ochtends geopend worden. Het is goed mogelijk dat deze drie poorten en de weg vlak langs de stadsmuur een belangrijke rol speelden tijdens religieuze processies ter ere van de goden.

In de Beneden-Stad ligt Tempel I, een tempelcomplex (200x135m) dat bestond uit opslagplaatsen, ateliers, woonhuizen voor het tempelpersoneel - ruim tweehonderd man - en de eigenlijke tempel, het woonhuis van de Stormgod en zijn vrouw de Zonnegodin. Wat ons rest is het regelmatige patroon van stenen fundamenten waarop tempelgebouwen stonden die waren opgetrokken uit leemtichels en houten balken. Voorraadruimten laten zich makkelijk identificeren: de immense aardewerk kruiken dienden om honing, olie of andere levensmiddelen op te slaan. Immers de goden - en ook het tempelpersoneel - moesten eten!
Aan weerszijden van de tempelingang zijn de fundamenten van de wachthokjes, waar priesters dag en nacht de wacht hielden, nog zichtbaar. Geen onbevoegde mocht naar binnen en uit de Hettitische wetten weten we dat als een wachtpriester zijn taak niet naar behoren vervulde de straffen streng waren. Geen wacht houdt ons nu meer tegen en ongehinderd bezoeken we de tempel. Een zorgvuldig geplaveide tempelstraat scheidde voorraadruimten van de eigenlijke tempel. Tijdens belangrijke religieuze feesten bezochten de koning en koningin dit huis van de goden. Immers als opperpriester en
-priesteres waren zij de intermediair tussen goden en mensen. De resten van wasbekkens getuigen van de minitieuze zorg die werd besteed aan het ritueel reinigen van zowel de tempel als alle aanwezige priesters. Hettitische wetten waren ook in dit opzicht heel duidelijk en gaven precies aan wat wel of juist niet geoorloofd was.

De Hettitische vorsten zijn misschien tegenwoordig iets minder bekend dan hun Egyptische collegae. Dat komt hoofdzakelijk doordat ze niet die grootse grafmonumenten met inhoud en tempels hebben nagelaten. Er is geen graf van een 'Hettitische Toetanchamon' gevonden (maar in de archeologie weet je nooit wat je morgen vindt!), geen goud, geen tot de verbeeldingsprekende mummiemaskers. Maar toch, de duizenden kleitabletten gevonden in Hattusa en bij andere opgravingen in Turkije zijn een zeer rijke bron. Dankzij die kleitabletten kunnen wij ook een beetje de mensen leren kennen die meestal anoniem blijven. De mensen die de basis waren van de Hettitische samenleving, nl. de boeren. Zij zorgden voor het voedsel voor goden, koningen, soldaten, priesters, schrijvers en ambtenaren.

Als we Boğazköy verlaten en nog enkele boederijen zien, dan denken we aan die boerenfamilie die daar 3300 jaar geleden in de omgeving van Hattusa boerde. Tiwatapara en zijn vrouw Azzia hadden drie kinderen: zoonlief Hartuwanduli en de zusjes Anitti en Hantawija. Verder hadden ze acht ossen, 22 schapen en ruim 20 geiten. Behalve een eigen huis en weidegronden hadden ze ook nog een wijngaard, 40 appelbomen en 42 granaatappelbomen.

Dankzij de kleitabletten blijven ook zij herinnerd ......