In Noord-Afrika werd het volgende EZEL-sprookje opgetekend:

 

Ook de engelen keken met medelijden naar de slechte behandeling van de ezels en stelden voor dat de eerste de beste ezel die zou sterven in de hemel zou worden opgenomen. Iedereen was het daar mee eens.
En zo werd het eerste ezeltje dat van uitputting en ontbering stierf door engelen begeleid naar de paradijspoort.

De ezel stak zijn snuitje net om het hoekje van de poort, maar maakte geen haast om binnen te gaan. Eerst keek hij eens goed rond. Het was een prachtige omgeving, écht paradijselijk, maar ..... hij zag heel veel kindertjes in de hemel. Dát gaf de doorslag. Hij had zoveel slaag en beschimpingen van die etterbuiltjes in zijn aardse leven gekregen, dat hij niet in het hiernamaals eeuwig in hun gezelschap wilde zijn.

Hij weigerde dan ook nog één poot te verzetten. Hoe de engelen ook duwden of trokken, hij wilde de poort niet door om in de hemel te komen.

Alleen streek éven het hemelse licht langs de ezelssnuit die vanaf dat ogenblik wit werd.