In de achttiende eeuw stonden locale geschiedvorsers voor een raadsel. Vlakbij het dorp Barbegal, ongeveer 15 kilometer ten noordoosten van Arles, vonden zij Romeinse fundamenten van een groot rechthoekig gebouw. Was het misschien een water-reservoir? Een stadstoren? Archeoloog Fernand Benoit herkende de functie van het Romeinse bouwwerk: een meelfabriek werkend op waterkracht.

De watervoorziening van het Romeinse Arles werd verzorgd met aquaducten, die het water aanvoerden vanuit bronnen en riviertjes in het noordoosten. Ten noorden van Barbegal zijn resten gevonden van twee parallel-lopende watergoten: één buigt af naar Arles, de ander doorsnijdt een rotskam, die men daar ter plaatse Peiro troucado noemt. Volg je deze kunstig in de rotsen uitgehakte watergoot dan lijkt plotseling de grond onder je voeten op te houden. Ineens verdwijnt de goot en als je niet uitkijkt, zweef je in de lucht (rechts). Het uitzicht op de landbouwvelden is subliem en vraagt de eerste minuten alle aandacht. Daarna zie je pas dat de vrij steile rotshelling onder je voeten is bezaaid met resten van dikke muren en waterbakken. Het leuke van deze en elke andere ruïne is, dat het geen kant-en-klare 'attractie' is; de bezoeker moet zijn fantastie en creativiteit gebruiken om het verleden te reconstrueren. Het resultaat is meestal verbazing over kennis en kunde van onze verre voorouders.

De verbazing is zeker gerechtvaardigd bij de opgegraven resten van Barbegal. Op de rotshelling heeft men in de vierde eeuw nC - zeer waarschijnlijk in de tijd van keizer Constantijn (306-337) - een meelfabriek gebouwd die de kracht van het neerstortende water gebruikte om  maalstenen te laten draaien.

Het water, dat via het aquaduct werd aangevoerd, stortte over acht waterraderen, die trapsgewijs onder elkaar waren geplaatst aan weerszijden van een groot rechthoekig bouwwerk. Van de houten waterraderen zijn geen resten gevonden, maar de grootte van de waterbakken (rechts * in foto), waarin ze ronddraaiden, doet vermoeden dat ze een diameter hadden van 2.20 meter en een breedte van circa 0.70 meter. Een ongeveer vijf meter lange molenas verbond het waterrad met een houten wiel, dat in de maal-ruimte meedraaide. De kammen van dit wiel dreven een soort bonkelaar aan, waarvan de spil de bovenste maalsteen - de loper - deed draaien. Elk waterrad dreef op deze manier waarschijnlijk één koppel maalstenen aan. Fragmenten van deze maalstenen zijn gevonden; ze waren gemaakt van basalt afkomstig uit de steengroeven van Agde en hadden een diameter van ongeveer 0.90 meter bij een dikte van 0.45 meter.
Was het water beneden aangekomen dan werd het door middel van twee afvoeren via sloten weggeleid.

Acht waterraderen aan elke kant, dus het hele complex had er zestien die op hun beurt de koppels maalstenen lieten werken. Een koppel kon per uur waarschijnlijk vijftien tot twintig kilogram meel produceren. Als wij dat vergelijken met 'onze' windmolens in Nederland waar een koppel stenen per uur 150 tot 200 kg meel kan leveren, lijkt dat weinig, maar in de Romeinse wereld - toen maalstenen gewoonlijk werden aangedreven door mensenhand of dierkracht, was het een hele vooruitgang.

Tijdens de opgravingen in 1937-1939 vond men munten en aardewerkfragmenten, die het mogelijk maakten de watermolen te dateren. Graan werd hier zeer waarschijnlijk gedurende de hele vierde eeuw gemalen.
Hoewel men in de oudheid vooral in theorie wist hoe water te gebruiken als energiebron - ook Vitruvius heeft de watermolen beschreven - , heeft men het in de praktijk amper toegepast. Immers er was mens- en dierkracht voldoende aanwezig!

Zo was er eens een uitvinder, die keizer Vespasianus aanbood enkele gigantische zuilen te vervoeren met behulp van een eenvoudige 'machine' en tegen zeer lage kosten. De keizer bedankte de man en schonk hem een aardige financiële bijdrage, maar zijn uitvinding werd niet gebruikt, omdat - zo zei de keizer - anders de arbeiders niet genoeg geld konden verdienen om brood te kopen. De keizer zag dus af van het gebruik van de nieuwste mechanische snufjes, omdat die de werk-loosheid zouden bevorderen!

Maar in de vierde eeuw nam de bevolking op het platteland af door ziekte, oorlogen en door de trek naar de steden. Toch waren grote hoeveelheden meel nodig. Niet alleen voor de fourage van het leger dat de grenzen bewaakte, maar ook voor de inwoners van de stad Arles. Vandaar dat men er toen in Zuid-Frankrijk toe overging om waterkracht te gebruiken in een meelfabriek voor het malen van graan, dat in die tijd vooral aangevoerd werd vanuit zeer grote landerijen.

De architect van deze watermolen-meelfabriek is niet met zekerheid bekend. Maar hoe verleidelijk is het om de constructie toe te schrijven aan Quintus Candidius Benignus. Hij leefde waarschijnlijk in de vierde eeuw en in de inscriptie op zijn sarcofaag, die in de achttiende eeuw in de omgeving van Arles werd teruggevonden, wordt Candidius geroemd. Hij was "knapper dan ieder ander en niemand overtrof hem in de bouw van machines en de aanleg van watergoten". Daarbij lieten hij of zijn nabestaanden op zijn sarcofaag ook voorwerpen afbeelden die met zijn beroep te maken hadden, namelijk een timmermansbijl (links), winkelhaak (midden) en een schietlood (rechts).

Gespat van water, gekraak van houten wielen, geratel van karren die graan en meel torsten; bijna lijkt het lawaai nog te horen op deze verstilde plek. Geen mens meer te bekennen, maar in je fantasie verschijnen witbestoven arbeiders en slaven, die heen een weer lopen en elkaar toeschreeuwen. Veel weten we niet van deze harde werkers, wel dat ze een bijzondere verering koesterden voor Bacchus, de god van de wijn. Een kalkstenen kop, getooid met wijnranken en druiven, werd door archeologen opgegraven in de meelfabriek. 

Een grootschalig maalbedrijf dat ongeveer een eeuw dienst deed, gebruik van water als energiebron, technische kennis, economische factoren .... ruïnes kunnen ons veel vertellen ...